Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[belanghebbende]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens het veroorzaken van hinder door het dumpen van afval op een niet daarvoor bestemde plaats op 17 januari 2024 in Breda. Betrokkene stelde dat het afval in overleg met zijn buurvrouw was geplaatst, die het afval later deels had opgeruimd. De gemeente had de buurvrouw een lagere boete opgelegd dan betrokkene.
De kantonrechter oordeelde dat het afval inderdaad aan betrokkene was toe te rekenen en dat de overtreding juridisch gezien was begaan. Het bewijsvermoeden dat de persoon tot wie het afval herleid kan worden ook de overtreder is, werd niet weerlegd. Wel achtte de rechter het onredelijk dat betrokkene een hogere boete kreeg dan de buurvrouw, gezien de feitelijke omstandigheden.
Daarom werd de boete gematigd van €410 naar €100. Het beroep werd op die grond gedeeltelijk gegrond verklaard en het college werd opgedragen het te veel betaalde bedrag van €310 terug te betalen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De boete is gematigd van €410 naar €100 en het te veel betaalde bedrag wordt terugbetaald.