Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens het veroorzaken van hinder door het storten van afval op de bodem van een locatie in Brabantpark op 29 november 2023. Betrokkene maakte bezwaar tegen de boete en stelde dat het afval niet van hem was, omdat hij pas sinds augustus 2021 huurder was van het appartement en de woning leeg had opgeleverd.
Tijdens de zitting op 11 maart 2025 voerde betrokkene aan dat de aangetroffen poststukken gericht waren aan de vorige bewoners en dat het onduidelijk was hoe deze poststukken op de locatie terecht waren gekomen. De vertegenwoordigers van het college verwezen naar de Basisregistratie Personen waaruit bleek dat de oude bewoners tot oktober en november 2021 op het adres stonden ingeschreven.
De kantonrechter oordeelde dat uit het dossier en de foto’s weliswaar bleek dat er afval was gedumpt, maar dat onvoldoende was vastgesteld dat betrokkene dit had gedaan. De poststukken waren niet aan betrokkene persoonlijk te herleiden en dateerden van vóór zijn bewoning. Daarom kreeg betrokkene het voordeel van de twijfel en werd de boete vernietigd. Het betaalde bedrag van €410,- moest worden terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boete is gegrond verklaard en de boete is vernietigd.