ECLI:NL:RBZWB:2025:3214
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning te Breda
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres te Breda, welke door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €876.000 per 1 januari 2022. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde en stelde tevens de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2023 vast. Belanghebbende stelde dat de waarde niet hoger mocht zijn dan €698.000.
De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van de wettelijke bepalingen en vaste jurisprudentie omtrent de WOZ-waardebepaling. De heffingsambtenaar baseerde zijn waardering op de verkoop van de woning op 30 mei 2024 voor €1.000.000, welke met een indexering terug werd gerekend naar de waardepeildatum 1 januari 2022. De rechtbank vond deze methode logisch en aannemelijk, mede omdat de heffingsambtenaar een rekenfout maakte die in het voordeel van belanghebbende uitviel.
Belanghebbende was niet aanwezig bij de zitting. De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Hierdoor blijven de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd en worden geen proceskosten vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €876.000 per 1 januari 2022 blijft gehandhaafd.