Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd voor het zodanig parkeren van een voertuig op een doorsteek dat gevaar of hinder voor het verkeer kon ontstaan. Betrokkene voerde aan dat hij vanwege gebrek aan parkeerruimte strak tegen de stoeprand stond en wees op vergelijkbare situaties in de omgeving waar niet werd beboet.
De officier van justitie handhaafde de boete, maar erkende een overschrijding van de redelijke termijn van bijna drie maanden, wat aanleiding gaf tot matiging van de boete met 25%. De kantonrechter stelde vast dat de gedraging vaststond en dat het parkeren hinder veroorzaakte, met name voor vrachtwagens die de doorsteek gebruiken.
De stelling dat betrokkene strak tegen de stoep stond werd door de foto in het dossier weerlegd. Verder werd geoordeeld dat het ontbreken van beschikbare parkeerplaatsen geen rechtvaardiging is voor hinderlijk parkeren. De kantonrechter matigde de boete vanwege de termijnoverschrijding en beval terugbetaling van het teveel betaalde bedrag aan betrokkene.
Uitkomst: De boete wordt gematigd met 25% vanwege overschrijding van de redelijke termijn en het teveel betaalde bedrag wordt terugbetaald.