Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een winkelruimte aan een adres te Vlissingen, vastgesteld op €379.000 per 1 januari 2021. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar. De rechtbank had eerder het bezwaar gegrond verklaard en de heffingsambtenaar opgedragen een nieuwe uitspraak te doen, maar deze verklaarde het bezwaar opnieuw ongegrond.
Tijdens de zitting op 9 april 2025 lichtte de gemachtigde van belanghebbende de gronden toe. De rechtbank toetste de waardebepaling aan de wettelijke normen en concludeerde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede op basis van de huurwaardekapitalisatiemethode en een NAR-berekening. Belanghebbende betwistte het leegstandsrisico en vroeg inzage in huurovereenkomsten, maar slaagde er niet in twijfel te zaaien over de gebruikte gegevens.
De rechtbank oordeelde dat de coronapandemie en de daaruit voortvloeiende maatregelen reeds in de huurwaarde waren verwerkt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Wel kende de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling van bezwaar en beroep. Daarnaast werden proceskosten en griffierecht aan belanghebbende toegekend.