Uitspraak
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de mondelinge behandeling van 22 november 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en de spreekaantekeningen van mr. Wartena.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Partijen sloten een huurovereenkomst voor een terrein en loods, waarbij de huurprijs op € 2.000 exclusief btw per maand werd vastgesteld, te factureren per kwartaal. De huurder betaalde de eerste twee kwartalen van 2023, maar bleef de huur over het derde en vierde kwartaal verschuldigd. Daarnaast stelde de verhuurder dat de huurder schade aan het hekwerk had veroorzaakt.
De huurder stelde dat de huurovereenkomst eerder was geëindigd en dat hij slechts het buitenterrein huurde voor een lagere huurprijs. Ook betwistte hij de schade aan het hekwerk, behalve het doorknippen van een hangslot, waarvan hij stelde dat dit door de verhuurder zelf was veroorzaakt.
De kantonrechter oordeelde dat partijen overeenstemming hadden bereikt over de huur van zowel het buitenterrein als de binnenruimte tegen de overeengekomen huurprijs. De huurovereenkomst liep tot 1 januari 2024, na opzegging door de huurder. De huurder moet de huur over het derde en vierde kwartaal alsnog betalen. De schade aan het hekwerk is niet voldoende bewezen en wordt daarom niet toegewezen. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de huur, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
Uitkomst: De huurder moet de huur over het derde en vierde kwartaal 2023 betalen, maar niet de schadevergoeding voor het hekwerk.