Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De overwegingen omtrent het beslag.
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 15 mei 2025 de strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Verdachte was niet aanwezig, maar werd vertegenwoordigd door zijn raadsman. De officier van justitie vorderde vrijspraak en de verdediging betoogde eveneens dat onvoldoende bewijs aanwezig was om tot een veroordeling te komen.
De tenlastelegging betrof het schieten met een vuurwapen op een onbekend gebleven persoon en op de woning van een bewoner, waarbij de uitvoering van het misdrijf niet was voltooid. Daarnaast werd verdachte verweten een vuurwapen van categorie III voorhanden te hebben gehad. De rechtbank oordeelde dat er geen wettig en overtuigend bewijs was dat verdachte zelf de ten laste gelegde handelingen had verricht of dat hij zodanig nauw en bewust had samengewerkt met anderen dat sprake was van medeplegen.
Ook was er onvoldoende bewijs voor het bezit van het vuurwapen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. Daarnaast werd de teruggave gelast van de in beslag genomen personenauto, omdat deze niet vatbaar was voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor medeplegen poging doodslag en vuurwapenbezit.