Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[naam]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het rijden op een fietspad in Breda op 12 juli 2023. Zij stelde beroep in tegen de boete, stellende dat werkzaamheden en navigatiefouten de overtreding veroorzaakten. De officier van justitie verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening. Betrokkene en haar dochter voerden aan dat de termijnoverschrijding te wijten was aan mantelzorg en onwetendheid over de zittingsdatum.
De kantonrechter oordeelde dat betrokkene onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat bijzondere omstandigheden de termijnoverschrijding rechtvaardigden. De wettelijke termijn van zes weken voor het instellen van beroep was ruim voldoende, ook voor mantelzorgers. Het verzoek tot aanhouding van de zaak werd afgewezen omdat bewijsstukken niet tijdig werden overlegd.
Daarmee bleef het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie ongegrond. De kantonrechter hoefde daardoor niet te oordelen over de rechtmatigheid van de boete zelf. De uitspraak werd op 13 mei 2025 in Breda gedaan door kantonrechter M. Breeman.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie wordt ongegrond verklaard wegens niet-tijdige indiening.