Veroordeelde, geboren in 2009, is bij vonnis van 22 november 2024 veroordeeld tot een jeugddetentie en een voorwaardelijke PIJ-maatregel met bijzondere voorwaarden tot medewerking aan forensische klinische en ambulante behandeling. Deze maatregel is onherroepelijk geworden op 7 december 2024.
Na aanhouding op 29 april 2025 vorderde de officier van justitie de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke PIJ-maatregel wegens overtreding van de bijzondere voorwaarde tot medewerking aan behandeling bij een GGZ-instelling. De verdediging erkende het ontbreken van een passend alternatief en onderschreef de conclusies van het Forensisch Maatwerk-rapport, maar stelde dat de overtreding voortkwam uit onmacht en niet uit onwil.
De rechtbank stelde vast dat de behandeling bij de GGZ-instelling was beëindigd vanwege meerdere incidenten en het ontbreken van een veilig behandelklimaat. De Raad voor de Kinderbescherming en deskundigen onderschreven het standpunt dat uitvoering van de PIJ-maatregel noodzakelijk is om veroordeelde de benodigde behandeling te bieden.
De rechtbank concludeerde dat geen minder vergaande behandeloptie beschikbaar is, dat de huidige LVB-VIC-afdeling binnen de jeugdinrichting passend is en dat voortzetting van de PIJ-maatregel noodzakelijk en opportuun is. De vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel werd daarom toegewezen.