Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd voor rechts inhalen op de Rijksweg A17 te Standdaarbuiten op 18 november 2022. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, dat door de officier van justitie werd afgewezen. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.
Op 11 april 2025 vond de zitting plaats, waarbij betrokkene en zijn gemachtigde niet verschenen. De kantonrechter oordeelde dat de redelijke termijn van berechting, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, was overschreden omdat de procedure meer dan twee jaar had geduurd vanaf het opleggen van de boete op 29 november 2022.
De overschrijding leidde tot matiging van de boete met 25%. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten in de fase bij de kantonrechter. De officier van justitie werd veroordeeld tot terugbetaling van te veel betaalde zekerheidstelling en de proceskostenvergoeding.
De beslissing van de officier van justitie werd dus gewijzigd en het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard. Betrokkene kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond verklaard wegens overschrijding redelijke termijn, boete met 25% gematigd en proceskostenvergoeding toegekend.