Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 5 augustus 2022. Hij stelde beroep in tegen de boete, stellende dat hij de gedraging niet had verricht en niet staande was gehouden. Tevens werd aangevoerd dat de redelijke termijn voor berechting was overschreden.
De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter. Tijdens de zitting op 11 april 2025 verschenen betrokkene en zijn gemachtigde niet. De kantonrechter oordeelde dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, met ruim zeven maanden was overschreden, aangezien de boete op 16 augustus 2022 was opgelegd en de zitting pas in april 2025 plaatsvond.
Op grond van vaste jurisprudentie van het Hof Arnhem-Leeuwarden leidt deze overschrijding tot matiging van de boete met 25%. De kantonrechter matigde de boete dienovereenkomstig en veroordeelde de officier van justitie tot terugbetaling van een teveel betaalde zekerheidstelling en tot vergoeding van proceskosten voor de fase bij de kantonrechter. Het beroep werd aldus gedeeltelijk gegrond verklaard.
Uitkomst: De boete wordt met 25% gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn en proceskosten worden toegekend.