ECLI:NL:RBZWB:2025:3499
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en aanslag onroerendezaakbelasting
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vaststelling van de WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €1.076.000 per 1 januari 2022. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2023 hierop gebaseerd. De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2025 behandeld en beoordeelt of de waarde te hoog is vastgesteld.
De rechtbank verklaart een door de heffingsambtenaar ingediend stuk over een indexering van een referentiewoning tardief, omdat belanghebbende geen gelegenheid had zich hiertegen te verweren. Verder oordeelt de rechtbank dat geen schending is van artikel 40 Wet Pro WOZ, omdat belanghebbende tijdens bezwaar geen specifiek verzoek tot aanvullende gegevens heeft gedaan. Ook is de motivering van de uitspraak op bezwaar voldoende.
De gebruikte referentiewoningen zijn voldoende vergelijkbaar en de heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat met verschillen, zoals in waardegebieden en woningkenmerken, adequaat rekening is gehouden. Belanghebbende stelde dat een pomp en put(deksel) op het perceel een waardedrukkend effect hebben, maar de rechtbank gaat ervan uit dat deze elementen aanwezig waren en oordeelt dat dit geen waardevermindering oplevert.
Gelet op deze overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard, de WOZ-waarde en aanslag OZB blijven gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft gehandhaafd op €1.076.000.