Eiser heeft op 27 december 2023 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) voor aanvullende schadevergoeding, welke door verweerder op 3 januari 2024 is ontvangen. Verweerder had uiterlijk op 3 juli 2024 moeten beslissen, maar heeft dit nagelaten. Eiser stelde verweerder op 18 februari 2025 in gebreke waarna het beroep werd ingesteld.
Verweerder betoogt dat eiser niet als gedupeerde is aangemerkt en dat de aanvraag daarom niet in behandeling kan worden genomen, waardoor geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd zou zijn. De rechtbank oordeelt echter dat, ondanks de inhoudelijke beoordeling, verweerder wel tijdig had moeten beslissen op de aanvraag.
De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog moet beslissen en legt een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €15.000 voor iedere dag dat de beslissing uitblijft. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser.
De uitspraak is gedaan zonder zitting op 5 juni 2025 door de enkelvoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.