Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- cliënt, bijgestaan door zijn advocaat;
- mevrouw [naam 1] , echtgenote van cliënt;
- mevrouw [naam 2] , wijkverpleegkundige/aanvrager;
- mevrouw [naam 3] , wijkverpleegkundige.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf van cliënt, geboren in 1949, vanwege zijn dementie van het type Alzheimer en de daaruit voortvloeiende zorgbehoefte. De mondelinge behandeling vond plaats aan het woonadres van cliënt, waarbij cliënt, zijn echtgenote en wijkverpleegkundigen werden gehoord.
Cliënt ontkent problemen en geeft aan het goed te maken, maar de wijkverpleegkundige en echtgenote schetsen een beeld van geheugenstoornissen, desoriëntatie, onrustig en geagiteerd gedrag, en onvoorspelbaar dwaalgedrag. Cliënt is afhankelijk van zijn echtgenote voor zelfverzorging en medische zorg, accepteert onvoldoende ambulante zorg en sluit soms deuren op, wat tot gevaarlijke situaties leidt.
De rechtbank oordeelt dat cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening en dat zijn gedrag leidt tot ernstig nadeel in de vorm van lichamelijk letsel, psychische schade en verwaarlozing. De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om dit ernstig nadeel te voorkomen, en er zijn geen minder bezwarende alternatieven. Daarom wordt de machtiging voor zes maanden verleend.
De beschikking is op 16 januari 2025 mondeling gegeven en op 22 januari 2025 schriftelijk vastgesteld. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: De rechtbank verleent een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor zes maanden wegens ernstig nadeel door dementie en zorgafhankelijkheid.