Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Procesverloop
2.Het verzoek
3.Feiten
geenvlakke hand hé.” Tijdens deze zitting heeft verzoeker de rechter gewraakt.
4.Het standpunt van verzoeker
5.Het standpunt van de rechter
meentte hebben gehoord dat verzoeker heeft gezegd: ik geef geen vlakke hand. Daarbij heeft de rechter toegelicht dat zij dit heeft gedaan om transparant te zijn en om aan te kondigen dat het belangrijk is om goed op te letten bij het bekijken van de bodycambeelden, waaraan vanwege het wrakingsverzoek niet meer is toegekomen.
6.De beoordeling
meentte hebben gehoord dat verzoeker heeft gezegd: ik geef geen vlakke hand. Gelet op deze formulering kan uit deze uitlating niet worden afgeleid dat de rechter op voorhand al uitging van een andere situatie dan die in het procesdossier is opgenomen. Verder kan verzoeker niet worden gevolgd in zijn stelling dat deze uitlating van de rechter raakt aan de bewijsvraag van artikel 350 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aangezien zowel blijkens het proces-verbaal van de zitting in de hoofdzaak als blijkens het verhandelde op de zitting van de wrakingskamer het wrakingsverzoek is ingediend vóórdat de rechter de bodycambeelden wilde vertonen en verder wilde bespreken. Aan het vaststellen van feiten was dus nog niet toegekomen. Gelet hierop bestaat ook geen aanleiding om te veronderstellen dat verzoeker voor een voldongen feit is gesteld en niet in de gelegenheid zou zijn geweest om verder op de uitlating van de rechter en de bodycambeelden te reageren.