ECLI:NL:RBZWB:2025:3642

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2025
Publicatiedatum
11 juni 2025
Zaaknummer
C/02/435540 / HA RK 25-115 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • ing. Peters
  • Breeman
  • Sterk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen politierechter wegens vermeende vooringenomenheid

In deze zaak verzocht de verdachte om wraking van de politierechter die hem terechtstond wegens bedreiging. Het wrakingsverzoek was gebaseerd op de stelling dat de rechter voorafgaand aan het bekijken van bodycambeelden een vooringenomen indruk had gewekt door een uitspraak die afweek van het dossier.

De rechter had tijdens de zitting aangegeven iets anders te hebben gehoord dan in het dossier stond, wat volgens verzoeker verzwarend kon zijn en de bewijsvraag raakte. De wrakingskamer onderzocht het proces-verbaal en concludeerde dat de rechter transparant wilde zijn en dat er nog geen feitelijke vaststelling had plaatsgevonden.

De wrakingskamer oordeelde dat er geen zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid en dat de vrees van verzoeker niet objectief gerechtvaardigd is. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en de behandeling van de hoofdzaak wordt voortgezet zoals voor de schorsing.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de politierechter is afgewezen wegens ontbreken van vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer
Locatie: Breda
Procedurenummer: C/02/435540 / HA RK 25-115
beslissing van 4 juni 2025 op het wrakingsverzoek zoals bedoeld in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering van:
[verzoeker], verzoeker
(raadsman: mr. W.B. Lisi, advocaat te Utrecht).

1.Procesverloop

1.1
Het verloop van deze procedure blijkt onder meer uit:
 de processtukken zoals opgenomen in het dossier van deze rechtbank in de hoofdzaak met parketnummer 05-076786-25,
 het proces-verbaal van de zitting van 20 mei 2025 in de hoofdzaak en de zaken met parketnummers 02-059920-25 + 05-154624-22, met daarin de wrakingsgronden,
 een toelichting op de wrakingsgronden met twee bijlagen van 20 mei 2025,
 de e-mail van de gewraakte rechter aan de wrakingskamer van 21 mei 2025 waaruit blijkt dat zij niet in de wraking berust,
 de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer op de zitting van 2 juni 2025 in Breda, waarbij aanwezig waren: mr. W.B. Lisi en de gewraakte rechter.

2.Het verzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Pastoors (hierna te noemen: de rechter) in haar hoedanigheid van politierechter. Dit verzoek berust op de gronden zoals die namens verzoeker uiteen zijn gezet tijdens de zitting in de hoofdzaak van 20 mei 2025, in de toelichting op de wrakingsgronden van 20 mei 2025 en tijdens de zitting van de wrakingskamer van 2 juni 2025.
2.2
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.

3.Feiten

3.1
In de hoofdzaak wordt aan verzoeker bedreiging ten laste gelegd. In het procesdossier van de hoofdzaak bevindt zich een proces-verbaal van de politie van 11 maart 2025 waarin onder meer staat dat verzoeker gezegd heeft: “Ik geef een vlakke hand hé.” Daarnaast is er een proces-verbaal van de politie van 12 maart 2025 in het procesdossier aanwezig inhoudende een beschrijving van bodycambeelden. Voorafgaand aan de zitting in de hoofdzaak heeft de raadsman van verzoeker aan de rechter het verzoek gedaan om deze bodycambeelden op de zitting van 20 mei 2025 te bekijken.
3.2
Aan het begin van de zitting in de hoofdzaak van 20 mei 2025 heeft de rechter verzoeker vermaand om goed op te letten, hem meegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht is, het proces-verbaal van 11 maart 2025 voorgehouden en opgemerkt dat zij de bodycambeelden heeft beluisterd en dat zij meent te horen dat verzoeker heeft gezegd: “Ik geef
geenvlakke hand hé.” Tijdens deze zitting heeft verzoeker de rechter gewraakt.

4.Het standpunt van verzoeker

4.1
Kort weergegeven heeft de rechter volgens verzoeker de schijn van vooringenomenheid gewekt door tijdens de zitting in de hoofdzaak van 20 mei 2025 voorafgaand aan het bekijken van de bodycambeelden vast te stellen dat hij iets anders heeft gezegd dan uit het dossier blijkt.
4.2
Hierbij speelt volgens verzoeker mee dat de uitlating van de rechter als verzwarend kan worden aangemerkt en raakt aan de bewijsvraag van artikel 350 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
4.3
Tijdens de zitting van de wrakingskamer op 2 juni 2025 is namens verzoeker benadrukt dat er niet meteen is gewraakt, maar dat er is gewacht totdat de rechter een uitleg gaf over haar eerdere uitlating. Volgens de raadsman was deze uitleg echter gekunsteld en te laat, omdat verzoeker daarover niet werd bevraagd en omdat de uitleg pas kwam nadat hij zijn wrakingsverzoek al had aangekondigd.

5.Het standpunt van de rechter

5.1
Tijdens de zitting van de wrakingskamer op 2 juni 2025 heeft de rechter benadrukt dat zij heeft gezegd dat zij
meentte hebben gehoord dat verzoeker heeft gezegd: ik geef geen vlakke hand. Daarbij heeft de rechter toegelicht dat zij dit heeft gedaan om transparant te zijn en om aan te kondigen dat het belangrijk is om goed op te letten bij het bekijken van de bodycambeelden, waaraan vanwege het wrakingsverzoek niet meer is toegekomen.
5.2
Volgens de rechter heeft zij, anders dan verzoeker aanvoert, wel goed met hem kunnen bespreken hoe hij tegen de tenlastelegging aankijkt. Nadat hij echter verklaarde dat hij niets van de woorden gezegd heeft, was er geen aanleiding om hem op dat moment nog verder te bevragen. Ten slotte benadrukt de rechter dat zij nog niet was toegekomen aan het vaststellen van feiten.

6.De beoordeling

Beoordelingskader
6.1
Op grond van artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
6.2
Voorop moet worden gesteld dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dit is slechts anders als zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
Beoordeling van de wrakingsgronden
6.3
Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek neemt de wrakingskamer het proces-verbaal van de zitting in de hoofdzaak van 20 mei 2025 tot uitgangspunt om vast te stellen wat er op die zitting is gezegd. Er zijn namelijk geen feiten of omstandigheden die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van dit proces-verbaal.
6.4
Volgens het proces-verbaal van de zitting in de hoofdzaak van 20 mei 2025 heeft de rechter aan het begin van die zitting gezegd dat zij
meentte hebben gehoord dat verzoeker heeft gezegd: ik geef geen vlakke hand. Gelet op deze formulering kan uit deze uitlating niet worden afgeleid dat de rechter op voorhand al uitging van een andere situatie dan die in het procesdossier is opgenomen. Verder kan verzoeker niet worden gevolgd in zijn stelling dat deze uitlating van de rechter raakt aan de bewijsvraag van artikel 350 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aangezien zowel blijkens het proces-verbaal van de zitting in de hoofdzaak als blijkens het verhandelde op de zitting van de wrakingskamer het wrakingsverzoek is ingediend vóórdat de rechter de bodycambeelden wilde vertonen en verder wilde bespreken. Aan het vaststellen van feiten was dus nog niet toegekomen. Gelet hierop bestaat ook geen aanleiding om te veronderstellen dat verzoeker voor een voldongen feit is gesteld en niet in de gelegenheid zou zijn geweest om verder op de uitlating van de rechter en de bodycambeelden te reageren.
6.5
Dit leidt tot de conclusie dat aan de zijde van de rechter geen sprake is van vooringenomenheid en dat de bij verzoeker daarvoor bestaande vrees niet gerechtvaardigd is. Het wrakingsverzoek moet dan ook worden afgewezen.
Beslissing
De wrakingskamer:
 wijst het verzoek tot wraking af;
 bepaalt dat de behandeling van de zaak met parketnummer 05-076786-25 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.
Deze beslissing is genomen op 4 juni 2025 door mr. ing. Peters, rechter en voorzitter, en mr. Breeman en mr. Sterk, rechters, in aanwezigheid van mr. Hamans, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.