ECLI:NL:RBZWB:2025:3654

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2025
Publicatiedatum
12 juni 2025
Zaaknummer
RK 24-030158
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 lid 1 SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding op grond van artikel 530 Sv na sepot zonder strafoplegging

Op 6 december 2024 diende verzoekster een verzoekschrift in bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant tot toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Het verzoek betrof een vergoeding van kosten voor rechtsbijstand, reiskosten en een forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift.

De zaak betrof een sepot zonder strafoplegging, waarbij geen straf of maatregel werd opgelegd en geen toepassing werd gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank stelde vast dat zij bevoegd was het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou zijn vervolgd. Zowel verzoekster als de officier van justitie waren het eens over de toekenning van de vergoeding.

Tijdens de pro-formabehandeling op 29 april 2025 was alleen de officier van justitie aanwezig; verzoekster en haar advocaat verschenen niet. De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van de gevorderde bedragen en achtte deze billijk en voldoende onderbouwd. Uiteindelijk wees de rechtbank het verzoek toe tot een totaalbedrag van € 1.702,33, bestaande uit € 1.333,91 voor rechtsbijstand, € 28,42 voor reiskosten en € 340,00 forfaitaire vergoeding voor het verzoekschrift.

De beslissing werd op 4 juni 2025 uitgesproken door rechter J.C. Gillesse en griffier A.S.S. Fanis. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open voor zowel het Openbaar Ministerie als verzoekster.

Uitkomst: Verzoek tot schadevergoeding ex artikel 530 Sv wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.702,33.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-256137-24
raadkamernummer : 24-030158
datum : 4 juni 2025
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoekster],
geboren op [geboortedag] 1965 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. M. de Houck, Schuttershofweg 1, 4538 AA Terneuzen,
hierna te noemen: de verzoekster.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het op 6 december 2024 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 1.333,91, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • € 28,42, voor vergoeding van reiskosten;
  • € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • de kennisgeving sepot van 5 november 2024;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
  • de overige stukken in het raadkamerdossier.
Namens verzoekster is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen.
De officier van justitie heeft zich in de schriftelijke reactie op het standpunt gesteld dat het verzoek kan worden toegewezen.
De rechtbank heeft voorafgaand aan de behandeling vastgesteld dat er geen verschil bestaat tussen het standpunt van verzoekster in het verzoekschrift en de reactie van de officier van justitie. Hierover is contact opgenomen met de advocaat en de officier van justitie. Zij hebben op voorhand schriftelijk hun standpunten kenbaar gemaakt. Verzoekster en officier van justitie hebben ingestemd met een pro-formabehandeling van het verzoekschrift, waarbij verzoekster en de advocaat niet in raadkamer hoeven te verschijnen.
Op 29 april 2025 heeft het onderzoek door de openbare raadkamer plaatsgevonden. Hierbij was de officier van justitie, mr. E. Kranendonk, aanwezig. Verzoeker en de advocaat zijn hierbij niet verschenen.

2.De beoordelingDe zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv Pro wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend, tenzij de advocaat was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv Pro bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter hoogte van
€ 1.333,91is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
De rechtbank is van oordeel dat de reiskosten en de inkomstenderving in verband met het bijwonen van de zitting, voldoende onderbouwd zijn. De rechtbank wijst de verzochte reiskosten ter hoogte van
€ 28,42toe.
Voor de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift wordt het forfaitaire bedrag van
€ 340,00toegekend.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 1.702,33bestaande uit:
- € 1.333,91 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 28,42 aan reiskosten;
- € 340,00 de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van
€ 1.702,33zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Nobus, onder vermelding van “[verzoekster] vergoeding 529/530 SV”.
Deze beslissing is op 4 juni 2025 genomen door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 4 juni 2025.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.