Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €193.000 per 1 januari 2022. De woning betreft een tussenwoning uit 1965 met een woonoppervlakte van 87 m².
De heffingsambtenaar baseerde de waardebepaling op een taxatiematrix met vergelijkingswoningen, waaronder ook hoekwoningen die doorgaans hogere verkoopprijzen kennen. Belanghebbende stelde dat het eigen verkoopcijfer van €180.000 op 23 augustus 2024, geïndexeerd naar de waardepeildatum, een waarde van €177.000 vertegenwoordigt.
De rechtbank oordeelde dat het eigen verkoopcijfer prevaleert boven de taxatiematrix, mede omdat de meest vergelijkbare referentiewoning (een tussenwoning) het verkoopcijfer bevestigt en hoekwoningen niet representatief zijn voor de waarde van een tussenwoning. De heffingsambtenaar slaagde er niet in zijn bewijslast te dragen.
Daarom werd de WOZ-waarde verminderd tot €177.000 en de aanslagen dienovereenkomstig aangepast. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.