Uitspraak
1.De procedure
- de dagvaarding van 13 mei 2025 met producties,
- de mondelinge behandeling van 3 juni 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze kortgedingprocedure vordert eiser ontruiming van een gehuurde kamer aan een adres te een plaats, omdat de huurovereenkomst voor bepaalde tijd tijdig en correct is aangezegd en inmiddels is geëindigd op 10 december 2024.
Gedaagde is niet verschenen ondanks behoorlijke dagvaarding, waardoor verstek is verleend. De kantonrechter stelt vast dat gedaagde zonder recht of titel in de kamer verblijft sinds 11 december 2024, wat een inbreuk op het eigendomsrecht van eiser vormt. Tevens lijdt eiser schade doordat huur niet wordt betaald en hij de kamer niet aan derden kan verhuren.
De kantonrechter oordeelt dat de vordering tot ontruiming met grote mate van waarschijnlijkheid in een bodemprocedure zal worden toegewezen en dat het spoedeisend belang van eiser niet kan worden afgewacht. De ontruimingstermijn van één week wordt als redelijk beschouwd, mede omdat het slechts een kamer betreft en bepaalde eigendommen van eiser niet ontruimd hoeven te worden.
Daarnaast wordt bepaald dat het vonnis tot één jaar na uitspraak tegen derden ten uitvoer kan worden gelegd die zich in de woning bevinden. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van de kamer binnen één week en betaling van proceskosten.