Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Breda omdat geen parkeerbelasting was voldaan tijdens een controle op 14 juni 2023. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de aanslag, waarbij een te hoog bedrag aan kosten (€57,75 in plaats van €52,75) in rekening was gebracht.
Belanghebbende diende een aanvullend beroepschrift in, maar dit werd als tardief buiten beschouwing gelaten. De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd, maar dat het te hoog in rekening gebrachte kostenbedrag moest worden gecorrigeerd. De aanslag werd daarom verminderd tot €54,25, bestaande uit €52,75 aan kosten en €1,50 naheffing.
Daarnaast werd het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat de termijn niet was overschreden. Wel werd belanghebbende een vergoeding van proceskosten toegekend, berekend op basis van de verleende rechtsbijstand en de samenhang met andere zaken. De heffingsambtenaar werd veroordeeld tot betaling van griffierecht en proceskostenvergoeding.