Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een beslissing van het UWV waarbij haar arbeidsongeschiktheid op 72,73% werd vastgesteld en een WIA-uitkering werd toegekend. Het UWV heeft niet tijdig op het bezwaar beslist, waarna eiseres het UWV in gebreke stelde. Nadat het UWV ook na ingebrekestelling niet besliste, stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is vanwege de overschrijding van de beslistermijn. Het UWV gaf aan dat de achterstand in spreekuren door een tekort aan verzekeringsartsen de oorzaak was van de vertraging. De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om alsnog te beslissen, gelet op de noodzaak van zorgvuldige besluitvorming.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag voor elke dag dat het UWV de nieuwe termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. De reeds verschuldigde dwangsom over de periode van 20 februari tot 4 april 2025 wordt vastgesteld op €1.442. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.