De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 19 juni 2025 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, die ervan werd verdacht in de periode van 1 tot en met 3 februari 2022 de systemen van een bedrijf te hebben gehackt. De officier van justitie stelde dat verdachte zonder toestemming een SQL-injectie-aanval had uitgevoerd op de database van het bedrijf, waarbij gebruik werd gemaakt van het IP-adres van verdachte en software zoals Burpsuite.
De verdediging voerde aan dat verdachte in het kader van zijn dienstverband ethisch hacken uitvoerde en dat er onvoldoende overtuigend bewijs was voor wederrechtelijkheid en opzet. De rechtbank oordeelde echter dat het bedrijf geen toestemming had gegeven en dat verdachte doelbewust de beveiliging had doorbroken, waarmee computervredebreuk wettig en overtuigend was bewezen.
De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de aanzienlijke schade van €27.000,-, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn rol als first offender en zijn gezinssituatie. Gezien deze factoren werd een geheel voorwaardelijke werkstraf van 60 uur met een proeftijd van twee jaar opgelegd, zonder gevangenisstraf.
De rechtbank sprak verdachte vrij van wat meer of anders was ten laste gelegd en bepaalde dat de taakstraf niet ten uitvoer wordt gelegd tenzij verdachte zich binnen de proeftijd schuldig maakt aan een nieuw strafbaar feit.