ECLI:NL:RBZWB:2025:3833
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting in Breda
Belanghebbende is geconfronteerd met een naheffingsaanslag parkeerbelasting van €63,15 wegens het parkeren van zijn auto op 24 augustus 2024 aan de [straat] te Breda zonder dat op dat moment parkeerbelasting was voldaan. De heffingsambtenaar had het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank overwoog dat het parkeren op de locatie binnen een betaald parkeergebied plaatsvond en dat het aan belanghebbende was om zich voorafgaand aan het parkeren te informeren over het parkeerregime. Hoewel belanghebbende stelde dat hij niet op de hoogte was van de gewijzigde parkeerregels en dat de borden onduidelijk waren, oordeelde de rechtbank dat de zoneborden voldoende duidelijk waren geplaatst en dat van belanghebbende mocht worden verwacht dat hij zich inspande om de parkeerautomaat te vinden.
Verder werd vastgesteld dat de parkeerbelasting direct bij het parkeren verschuldigd is en dat een redelijke termijn wordt gegund om de betaling te verrichten. De betaling via de bezoekersregeling vond echter pas bijna een uur na het parkeren plaats, wat niet binnen die redelijke termijn viel. De rechtbank achtte de hoogte van de naheffingsaanslag niet onredelijk, aangezien deze binnen de wettelijke kaders viel.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde de naheffingsaanslag. Belanghebbende kreeg geen vergoeding van het griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter A.H.W. Steijn op 19 juni 2025.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de naheffingsaanslag parkeerbelasting.