ECLI:NL:RBZWB:2025:3880
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens onvoldoende kenbaarheid betaald parkeren
Belanghebbende parkeerde op 26 februari 2024 een auto aan de Lovensdijkstraat te Breda, waar geen parkeerbelasting was voldaan. De heffingsambtenaar legde daarop een naheffingsaanslag op van €63,15, die het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaarde. De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting en concludeert dat de naheffingsaanslag onterecht is opgelegd.
Belanghebbende stelde dat zij geen borden of parkeerautomaten had gezien waaruit de verplichting tot betaling van parkeerbelasting bleek. De heffingsambtenaar stelde dat er voldoende bebording en een betaalautomaat aanwezig waren, maar kon dit niet met objectief bewijs onderbouwen. De rechtbank overweegt dat de kenbaarheid van het betaald parkeren moet blijken uit duidelijke aanwijzingen, en dat de parkeerder een onderzoeksplicht heeft.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat redelijkerwijs geen misverstand kon bestaan over de verschuldigdheid van parkeerbelasting. De recente wijziging van het parkeerbeleid en de afstand tot het centrum maken dat belanghebbende niet kon worden geacht op de hoogte te zijn. Daarom wordt de naheffingsaanslag vernietigd en krijgt belanghebbende vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt vernietigd wegens onvoldoende kenbaarheid van het betaald parkeren.