Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers,
[vergunninghouder] BVmet gemachtigde mr. M.J. Thissen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eisers maakten bezwaar tegen de op 30 januari 2024 verleende omgevingsvergunning aan [vergunninghouder] BV voor het bouwen van 80 bedrijfsunits en de aanleg van een uitrit op een perceel met bestemming 'Bedrijf'. Zij stelden dat zij niet waren geïnformeerd over de bestemmingsplanherziening en dat het plan niet voldeed aan verkeers- en stikstofregelgeving.
De rechtbank overwoog dat het bestemmingsplan ' [bestemmingsplan] ' op de juiste wijze ter inzage heeft gelegen en onherroepelijk is geworden, waardoor bezwaren tegen de planologische aspecten niet ontvankelijk zijn. Het bouwplan voldeed aan de regels van het bestemmingsplan en het paraplubestemmingsplan met betrekking tot bebouwing en parkeernormen.
De rechtbank concludeerde dat er geen strijd was met de weigeringsgronden van artikel 2.10 Wabo en dat het college de vergunning terecht heeft verleend. De bezwaren tegen verkeersgevolgen en stikstofberekeningen konden niet tot vernietiging leiden; eisers werd geadviseerd deze aan het college van gedeputeerde staten voor te leggen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft van kracht.