Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €291.000 per 1 januari 2022. Tevens werd de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) opgelegd op basis van deze waarde. Na een ongegrondverklaring van het bezwaar door de heffingsambtenaar, stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank.
Tijdens de zitting op 18 december 2024 bereikten partijen een compromis waarbij de WOZ-waarde werd verlaagd tot €260.000. Ook werd vastgesteld dat de dwangsom van €357 en de wettelijke rente vanaf 9 april 2024 verschuldigd zijn. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de aanslag OZB dienovereenkomstig wordt verminderd.
Verder werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €51 en een proceskostenvergoeding van €1.100,50 aan belanghebbende, berekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank wees het verzoek om een extra punt voor een aanvullend stuk af, omdat het verzoek om repliek was geweigerd.
De uitspraak werd gedaan door rechter W. Toekoen op 27 januari 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Belanghebbende kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.