De moeder heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van haar minderjarige kind. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit en volgen een zorgregeling waarbij het kind wekelijks wisselt tussen vader en moeder.
De kinderrechter constateert dat de Raad voor de Kinderbescherming op basis van eigen onderzoek reeds een verzoek tot ondertoezichtstelling heeft ingediend. Op grond van artikel 1:255, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de moeder haar verzoek niet indienen zolang de Raad een dergelijk verzoek heeft ingediend.
Daarom verklaart de kinderrechter de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek. De beslissing is mondeling uitgesproken op 9 mei 2025 en schriftelijk vastgesteld op 16 mei 2025. De moeder en andere belanghebbenden kunnen binnen drie maanden hoger beroep instellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.