ECLI:NL:RBZWB:2025:3947

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2025
Publicatiedatum
24 juni 2025
Zaaknummer
24/8433
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 WVW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit CBR over onderzoek rijgeschiktheid na onterechte verdenking bloedonderzoek

Eiser werd door het CBR verplicht een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid te ondergaan en kreeg een rijbewijsopschorting opgelegd vanwege weigering mee te werken aan een bloedonderzoek op 20 juli en 4 augustus 2024.

Het CBR herzag het besluit deels na bezwaar, maar hield het onderzoek naar rijgeschiktheid in stand. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. Tijdens de zitting overhandigde eiser het proces-verbaal van de politierechter waarin hij op 12 februari 2025 werd vrijgesproken van het weigeren van het bloedonderzoek.

De politierechter oordeelde dat het bevel tot bloedonderzoek onterecht was gegeven omdat de verdenking pas ontstond nadat eiser was weggereden, waardoor het bevel niet rechtsgeldig was. De rechtbank oordeelde dat het CBR het besluit niet op het proces-verbaal mocht baseren, omdat de grondslag van het vermoeden volgens artikel 130 WVW Pro daarmee verviel.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit van het CBR. Tevens veroordeelde zij het CBR tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt gegrond verklaard en het besluit van het CBR wordt vernietigd en herroepen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/8433
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G.J.P.M. Mooren),
en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

(gemachtigde: de heer M.M. van Dongen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het CBR terecht heeft besloten dat eiser een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid moet ondergaan.
1.1.
Op 11 oktober 2024 heeft het CBR besloten dat eiser een onderzoek moet ondergaan naar zijn drugsgebruik. Ook is toen het rijbewijs van eiser geschorst, omdat hij op 20 juli 2024 en 4 augustus 2024 heeft geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek.
1.2.
Met het bestreden besluit van 3 december 2024 op het bezwaar van eiser heeft het CBR het besluit herroepen voor zover dit ziet op de schorsing van het rijbewijs, omdat is gebleken dat het feit van 20 juli 2024 bij de politie niet bekend is. Het besluit dat eiser een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid moet laten doen is wel in stand gebleven.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het CBR op 18 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.
1.5.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep gegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Kon het CBR zijn besluit baseren op het proces-verbaal van 4 augustus 2024?
3. Eiser voert aan dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan het weigeren mee te werken aan een bloedonderzoek op 4 augustus 2024. Ter onderbouwing daarvan heeft hij ter zitting het proces-verbaal van de zitting bij de politierechter van 12 februari 2025 overgelegd, waaruit blijkt dat hij is vrijgesproken.
4. Uit dat proces-verbaal blijkt dat de vrijspraak is gebaseerd op de overweging dat een bevel tot medewerking aan een bloedonderzoek alleen mag worden gegeven als er op dat moment al sprake is van een verdenking. In dit geval is die verdenking pas ontstaan nadat de politie eiser had verzocht – of beter gezegd had gedwongen – om weg te rijden. Pas daarna constateerde de politie dat eiser reed, waarna hij werd staande gehouden op verdenking van het overtreden van de Wegenverkeerswet. De politierechter heeft geoordeeld dat onder deze omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat het bevel tot medewerking aan het bloedonderzoek terecht is gegeven. De politierechter heeft eiser daarom vrijgesproken.
5. De vraag is vervolgens of het proces-verbaal van 4 augustus 2024 nog aan het besluit van het CBR ten grondslag mocht worden gelegd. Volgens vaste rechtspraak is dat niet het geval als uit de motivering van een strafrechtelijke vrijspraak blijkt dat het proces-verbaal zodanige onjuistheden bevat dat het niet langer als grondslag kan dienen, of als daarmee de grondslag aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130 WVW Pro is komen te vervallen. [1]
6. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de politierechter blijkt dat niet kan worden vastgesteld dat het bevel tot medewerking aan het bloedonderzoek terecht is gegeven, omdat de verdenking pas lijkt te zijn ontstaan nadat eiser – op aanwijzing van de politie – was weggereden. Nu dat bevel de enige feitelijke basis vormde voor de mededeling aan het CBR, is de rechtbank van oordeel dat daarmee de grondslag aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130 WVW Pro is komen te vervallen.
6.1.
Het CBR heeft ter zitting erkend dat het besluit, gelet op deze motivering van de vrijspraak, niet in stand kan blijven, en heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep gegrond moet worden verklaard.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank neemt nu zelf een beslissing en bepaalt dat het primaire besluit wordt herroepen en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het CBR het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
Het CBR moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 3 december 2024;
- herroept het besluit van 11 oktober 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat het CBR het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het CBR tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2025 door mr. M. Koek, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de ABRvS van 8 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2020).