Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2025:3967

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 juni 2025
Publicatiedatum
26 juni 2025
Zaaknummer
C/02/417755 / HA ZA 24-12 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Bosters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:42 BWArt. 5:44 lid 1 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering verwijdering bamboe nabij erfgrens wegens ontbreken onrechtmatige hinder

Eisers vorderden dat gedaagde de bamboe binnen twee meter van de erfgrens zou verwijderen of snoeien, stellende dat deze als boom kwalificeert en onrechtmatige hinder veroorzaakt. Gedaagde betwistte dit en stelde dat bamboe een heester is die op minimaal 50 centimeter afstand mag staan en geen onrechtmatige hinder veroorzaakt.

De rechtbank stelde vast dat bamboe niet als boom kwalificeert, vanwege het ontbreken van een rechte stam en het woekerende karakter, en dat het als heester moet worden beschouwd. De bamboe stond tijdens de gerechtelijke plaatsopneming op minimaal 50 centimeter afstand van de erfgrens, waarmee voldaan werd aan artikel 5:42 BW Pro.

Verder werd geoordeeld dat de door eisers ervaren hinder door bladafval en schaduwhinder niet onrechtmatig is gebleken. De rechtbank wees de vorderingen af en veroordeelde eisers hoofdelijk in de proceskosten. Gedaagde heeft toegezegd onderhoud te plegen en eisers mogen overhangende takken verwijderen indien gedaagde dit nalaat.

Uitkomst: De vorderingen tot verwijdering en snoei van de bamboe worden afgewezen wegens ontbreken van onrechtmatige hinder en voldoende afstand tot de erfgrens.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/417755 / HA ZA 24-12
Vonnis van 25 juni 2025
in de zaak van

1.[eiser] ,

2.
[eiseres],
beiden wonende te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen in mannelijk enkelvoud te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. M.E. Stassen,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.J. Goedhart.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 april 2024 met de daarin genoemde stukken,
- de akte wijziging van eis van [eisers] ,
- het proces-verbaal van de gerechtelijke plaatsopneming van 17 september 2024, met de opmerkingen van [eisers] daarop,
- de aansluitende mondelinge behandeling van 17 september 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisers] en [gedaagde] zijn eigenaren van de respectievelijke percelen aan [adres 1] en [adres 2] . De percelen grenzen aan elkaar.
2.2.
[gedaagde] heeft in zijn tuin op meerdere plaatsen bamboe staan. [1] De bamboe staat op twee plaatsen vlakbij de erfgrens met het perceel van [eisers]
2.3.
Mr. Stassen heeft [gedaagde] per brief van 2 oktober 2023 en 13 oktober 2023 gesommeerd om de bamboe te verwijderen dan wel te snoeien tot de hoogte van de erfafscheiding.
2.4.
Per brief van 18 oktober 2023 heeft de toenmalig advocaat van [gedaagde] aan mr. Stassen bericht dat [gedaagde] de bamboe niet zal verwijderen of verplaatsen.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vordert – samengevat en na wijziging van eis – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • [gedaagde] primair te veroordelen om de bamboe die binnen twee meter afstand van de erfgrens tussen de percelen van partijen staat te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom,
  • voor recht te verklaren dat de bamboe op het perceel van [gedaagde] onrechtmatige hinder oplevert voor [eisers] ,
  • [gedaagde] subsidiair te veroordelen om de bamboe die binnen twee meter afstand van de erfgrens tussen de percelen van partijen staat te snoeien tot een maximale hoogte van de scheidsmuur tussen de erven en de snoeiwerkzaamheden op regelmatige basis uit te voeren,
  • [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.
3.2.
[eisers] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft op zijn perceel bamboe staan. Deze bamboe is dusdanig hoog dat het kwalificeert als boom. De bamboe staat binnen twee meter van de erfgrens en daarmee binnen de verboden zone zoals bedoeld in artikel 5:42 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De bamboe moet daarom worden verwijderd. [eisers] ervaart overlast van de bamboe door veel bladafval, onrechtmatige schaduwhinder en overhangende takken. Ook vreest [eisers] voor schade aan de bestrating en de overkapping.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] voert het volgende aan. De bamboe is niet aan te merken als boom, maar als een heester. De bamboe hoeft daarom slechts op 50 centimeter afstand van de erfgrens af te staan. Aan de hoogte van een heester heeft de wet geen grens gesteld. [gedaagde] betwist dat sprake is van onrechtmatige hinder. [eisers] heeft enig bladafval te dulden. [eisers] heeft op grond van de wet het recht om overhangende takken weg te halen, zodat eventuele overhangende takken geen onrechtmatige hinder kunnen vormen. De schaduwhinder kan niet als onrechtmatig worden bestempeld, gelet op het minimale ontnemen van zonlicht door de bamboe. [gedaagde] betwist dat de bamboe schade (heeft) veroorzaakt.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Partijen verschillen van mening over de vraag of de bamboe op het perceel van [gedaagde] op voldoende afstand van de erfgrens staat en of de bamboe onrechtmatige hinder veroorzaakt.
De bamboe kwalificeert niet als boom
4.2.
Uit de door beide partijen aangehaalde jurisprudentie volgt dat verschillend kan worden gedacht of bamboe wel of niet als boom kwalificeert.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat de bamboe niet als boom kwalificeert en overweegt daartoe als volgt. Bomen hebben doorgaans één rechte stam wat vervolgens in een breder(e) gebladerte en vertakkingen overgaat en woekeren niet. De stengels van de bamboe gaan niet over in een breder gebladerte of vertakkingen, zoals bomen wel doen. De bamboe vormt ondergronds uitlopers, waaruit vervolgens nieuwe scheuten groeien en woekert dus wel. Weliswaar vormt de bamboe steeds stengels met daaraan bladeren die een houtachtig karakter krijgen en welke stengels meerdere meters hoog (kunnen) worden, maar dat maakt niet dat daardoor gesproken kan worden van bomen. Gelet op het voornoemde dient de bamboe dan ook te worden aangemerkt als heester of heg.
De bamboe staat op voldoende afstand
4.4.
In artikel 5:42 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat het niet geoorloofd is om zonder toestemming binnen een halve meter van de erfgrens heesters of heggen te hebben, tenzij anders is bepaald. Gesteld noch gebleken is dat lokaal andere regelgeving ten aanzien van voornoemde afstand geldt. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de bamboe op minimaal 50 centimeter afstand van de erfgrens moet staan.
4.5.
Bij de toepassing van artikel 5:42 BW Pro dient de afstand van de desbetreffende plant tot de erfgrens (in beginsel) te worden gemeten ‘vanaf het midden van de voet’, dat wil zeggen: op grondniveau en vanaf het hart van de stam(men) tot aan de erfgrens.
Bij bamboe is deze wijze van meten echter problematisch, omdat niet duidelijk is wat onder ‘het midden van de voet’ dient te worden verstaan. Van een enigszins bestendige ‘voet’ is zelfs geen sprake. Zo lang geen maatregelen worden getroffen om dat tegen te gaan, vormt de bamboe immers steeds nieuwe uitlopers, scheuten en vervolgens ‘stammen’ op enige afstand van de oorspronkelijke plant. [2] Het Hof concludeert dat bamboe geen probleem oplevert in de zin van artikel 5:42 BW Pro als de bamboe zich op grondniveau steeds volledig op meer dan 50 centimeter van de erfgrens bevindt.
4.6.
Tijdens de gerechtelijke plaatsopneming heeft de rechtbank vastgesteld dat de bamboe steeds op (minimaal) 50 centimeter van het midden van de erfafscheiding bevindt. Daarbij is steeds gemeten vanaf de buitenste bamboe.
4.7.
Namens [eisers] is tijdens de gerechtelijke plaatsopneming aangevoerd dat de erfafscheiding niet op de erfgrens staat. Deze stelling heeft [eisers] niet eerder aangevoerd, zodat [gedaagde] daar niet deugdelijk op heeft kunnen reageren. [eisers] heeft deze stelling ook niet verder onderbouwd en ter plaatse zijn ook geen kadasterpaaltjes waargenomen. De rechtbank gaat daarom aan deze stelling voorbij en gaat, bij gebrek aan onderbouwing van deze stelling, ervan uit dat de erfafscheiding wel op de erfgrens staat. Dat heeft tot gevolg dat de rechtbank oordeelt dat de bamboe ten tijde van de gerechtelijke plaatsopneming op het perceel van [gedaagde] op voldoende afstand stond van de erfgrens.
4.8.
Dat laat onverlet dat [gedaagde] nieuwe scheuten, voor zover deze op minder dan 50 centimeter van de erfgrens staan en hoger reiken dan de erfafscheiding, moet verwijderen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] toegezegd om regulier onderhoud te plegen. Verder staat het [eisers] vrij om zelf overhangende bamboe te verwijderen, als [gedaagde] dit na aanmaning nalaat. [3]
4.9.
Het voornoemde houdt in dat de primaire en subsidiaire vorderingen van [eisers] worden afgewezen, omdat de bamboe niet binnen de verboden zone van artikel 5:42 BW Pro staat.
De bamboe veroorzaakt geen onrechtmatige hinder
4.10.
In zijn algemeenheid geldt als uitgangspunt dat de eigenaar van een erf de vrijheid heeft dat erf naar eigen inzicht te voorzien van beplantingen. Dat uitgangspunt is echter niet onbeperkt, het is niet toegestaan om op een dusdanige wijze te beplanten dat een aangrenzend erf onrechtmatige hinder ondervindt.
4.11.
Of sprake is van onrechtmatige hinder, is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder, de daardoor veroorzaakte schade en de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid – mede gelet op de daaraan verbonden kosten – en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen. [4]
4.12.
Vaststaat dat de bamboe van [gedaagde] blad verliest en dat deze ook op het perceel van [eisers] valt. Denkbaar is dat [eisers] dit als hinderlijk ondervindt. Van onrechtmatige hinder is echter naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Daartoe wordt als volgt overwogen. Niet is vast komen te staan in wat voor tijdsbestek het bladafval op het perceel van [eisers] terecht is gekomen, zoals het op de foto’s is te zien. De onrechtmatige hinder ten aanzien van het bladafval is dan ook niet vast komen te staan.
4.13.
Aan het einde van de gerechtelijke plaatsopneming scheen de zon, zodat kon worden beoordeeld in hoeverre de bamboe licht ontnam op het perceel van [eisers] Een foto van de situatie is aan het proces-verbaal gehecht. Naar het oordeel van de rechtbank was op dat moment van onrechtmatige hinder als gevolg van schaduwval geen sprake. Daarbij dient wel te worden opgemerkt dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend dat hij de dag vóór de gerechtelijke plaatsopneming tien stengels heeft verwijderd, zodat aannemelijk is dat de hinder groter was. Of daarbij sprake was van onrechtmatige hinder, is niet meer na te gaan. Zoals hiervoor opgemerkt heeft [gedaagde] toegezegd onderhoud te plegen aan de bamboe. De rechtbank gaat ervan uit dat hij zich aan zijn toezegging zal houden.
4.14.
Gelet op het voornoemde is niet vast komen te staan dat sprake is van onrechtmatige hinder van de bamboe als gevolg van bladafval of schaduwval. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.15.
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
320,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.726,00
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Daarbij overweegt de rechtbank dat [eisers] de gelegenheid moet worden geboden om binnen een redelijke termijn aan de proceskostenveroordeling te voldoen na daartoe te zijn aangeschreven, waarbij een termijn van veertien dagen als een redelijke termijn voor nakoming wordt gezien.
Hoofdelijke veroordeling
4.17.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.726,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bosters en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025.

Voetnoten

1.In dit vonnis wordt steeds in enkelvoud gesproken over “de bamboe”.
2.Hof ’s-Hertogenbosch 23 maart 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:875, r.o. 6.4.3.
3.Artikel 5:44 lid 1 BW Pro.
4.HR 21 oktober 2005, ECLI:HR:2005:AT8823, r.o. 3.2.