ECLI:NL:RBZWB:2025:4033
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2019 wegens nieuw feit
Belanghebbende is fiscaal partner van een ondernemer die een eenmanszaak had met een praktijkruimte in hun gezamenlijke woning. Voor het jaar 2019 dienden zij afzonderlijke aangiften IB/PVV in. De inspecteur stelde de definitieve aanslag van belanghebbende conform aangifte vast, maar legde later een navorderingsaanslag op nadat uit de beoordeling van de aangifte van de partner bleek dat de boekwinst van de praktijkruimte hoger was dan aangegeven.
Belanghebbende betwistte dat er sprake was van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en stelde dat de inspecteur bij het vaststellen van de primitieve aanslag al aanleiding had moeten hebben tot nader onderzoek. De rechtbank oordeelde echter dat de inspecteur op grond van de aangifte niet verplicht was verder onderzoek te doen, omdat de gegevens niet onwaarschijnlijk waren.
De rechtbank concludeerde dat de aanvullende informatie van de partner na de primitieve aanslag het nieuwe feit vormde waarop de navordering gebaseerd is. Ook werd geoordeeld dat er geen sprake was van ambtelijk verzuim en dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de belastingrente werd bevestigd.
Uitkomst: De navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2019 is terecht opgelegd en het beroep wordt ongegrond verklaard.