ECLI:NL:RBZWB:2025:4117
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting WIA-uitkering na wijziging arbeidsongeschiktheid
Eiser, werkzaam als medewerker drukkerij, viel in 2017 uit vanwege fysieke klachten na een verkeersongeval en ontvangt sinds 2019 een WIA-uitkering. Het UWV stelde in oktober 2021 de arbeidsongeschiktheid vast op 49,15%, wat leidde tot een vervolguitkering van 35% van het minimumloon. Eiser maakte bezwaar tegen deze vaststelling.
De rechtbank benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts die op 20 september 2024 een rapport uitbracht waarin de beperkingen van eiser werden beoordeeld. De deskundige concludeerde dat er geen energetische urenbeperking nodig was, wel zwaardere beperkingen bij autorijden, lopen en staan, en beperkte belastbaarheid tot 40 uur per week. Het UWV paste hierop de functionele mogelijkhedenlijst aan en wijzigde het besluit in december 2024, waarbij de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 54,46%.
Eiser voerde aan dat zijn tinnitus, nekklachten, hoofdpijn en PTSS onvoldoende waren meegewogen, maar de rechtbank volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat deze klachten geen aanleiding gaven tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De arbeidsdeskundige van het UWV gebruikte geschikte functies voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid, wat eiser niet kon weerleggen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Tevens werd het griffierecht aan eiser terugbetaald en een proceskostenvergoeding van €1.814 toegekend.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen het gewijzigde UWV-besluit ongegrond en bevestigt een arbeidsongeschiktheid van 54,46% met een WGA-vervolguitkering van 35% van het minimumloon.