In deze civiele procedure staat de vraag centraal of de eisende partij in verzet aansprakelijk is voor een fietsongeval op 6 september 2022 waarbij de gedaagde partij in verzet schade heeft geleden. De kantonrechter stelt vast dat de eisende partij ten onrechte geen voorrang heeft verleend, waardoor het ongeval is ontstaan. Er is geen sprake van eigen schuld van de gedaagde partij. Daarom wordt de eisende partij aansprakelijk gehouden voor de materiële en immateriële schade tot een maximum van € 25.000.
De procedure omvatte bewijslevering met getuigenverhoren en schriftelijke verklaringen. De verklaringen van de gedaagde en getuige zijn consistent en ondersteunen de stelling dat de eisende partij geen voorrang verleende. De stelling van de eisende partij dat de gedaagde op de verkeerde weghelft reed, wordt verworpen.
De kantonrechter beoordeelt de verschillende schadeposten, waaronder medische kosten, huishoudelijke hulp, mantelzorg, vervoerskosten, zelfwerkzaamheid en immateriële schadevergoeding. Alle gevorderde bedragen worden toegewezen. Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente toegekend. De eerdere verstekvonnis wordt vernietigd en de eisende partij wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, incassokosten, rente en proceskosten.
In de vrijwaringszaak wordt geoordeeld dat de eisende partij de schade niet kan verhalen op de gedaagde partij in vrijwaring, omdat deze niet aansprakelijk is voor het ongeval. De vordering wordt afgewezen en de eisende partij wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten en rente.
Het vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind en op 2 juli 2025 in het openbaar uitgesproken.