ECLI:NL:RBZWB:2025:4226
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Kort geding
- De Beer
- Rechtspraak.nl
Vaststelling omgangsregeling en vakantieverdeling minderjarige in kort geding
Partijen zijn gescheiden en hebben een minderjarig kind. De man vordert in kort geding een regeling voor omgang tijdens vakanties, met name de zomervakantie 2025, waarin hij het kind drie weken mee op vakantie naar Frankrijk wil nemen. De vrouw en haar partner verzetten zich hiertegen vanwege zorgen over het welzijn van het kind en reeds geboekte vakanties.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseert voortzetting van de voorlopige omgangsregeling en wijst op het belang van nader onderzoek en systeemtherapie. De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang van de man voor de zomervakantie vaststaat, maar beperkt de vakantieperiode tot 5 tot 14 augustus 2025 om het belang van het kind te waarborgen.
De man krijgt toestemming voor de vakantie in Frankrijk met het kind, onder de voorwaarde dat er om de twee dagen contact via FaceTime is tussen de vrouw en het kind en dat belangrijke informatie via WhatsApp wordt uitgewisseld. De overige vorderingen worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang of onvoldoende onderbouwing.
Uitkomst: De man krijgt toestemming om met het kind van 5 tot 14 augustus 2025 op vakantie te gaan naar Frankrijk met contactverplichtingen via FaceTime en WhatsApp.