Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
NJ1929, p. 503 en HR 12 december 1967,
NJ1970, 314) “min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen in of aan het lichaam”, dat maakt dat (mogelijk) van mishandeling kan worden gesproken, blijkt uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen echter niet. Een “vies gevoel” duidt veel meer op een “leed opleverende gemoedsaandoening", oftewel een onaangename psychische ervaring. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
,terwijl verdachte en die [slachtoffer] alleen in een bos waren,
door die medewerker te bespugen
.
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging en/of het opleggen van een maatregel
7.De benadeelde partij
8.Het beslag
9.De vordering tot tenuitvoerlegging
10.De wettelijke voorschriften
11.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het onder parketnummer 02/152117-24 ten laste gelegde feit 1 primair en feit 2 en het onder parketnummer 02/051230-25 primair ten laste gelegde feit;
een jeugddetentie van 3 (drie) maanden;
plaatsingvan verdachte
in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel);
adviesverdachte te plaatsen op een
[afdeling] afdelingvan de RJJI [locatie] ;
een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming heeft mishandeld door
die medewerker te bespugen;
kunnen leiden:
opzettelijk
een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming,
in haar tegenwoordigheid,
door feitelijkheden,
heeft beledigd,
door die medewerker te bespugen, althans gedragingen van gelijke beledigende
aard en/of strekking;