Eiser, werkzaam geweest als chauffeur, vroeg een WIA-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door polyartrose en slaapapneu. Het UWV kende hem een uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 57,42%, wat eiser betwistte. Na bezwaar en beroep stelde de rechtbank een onafhankelijke deskundige aan die een iets strengere beperking vaststelde dan het UWV.
De rechtbank oordeelde dat het UWV de medische beperkingen pas in beroep juist had vastgesteld en dat het bestreden besluit daarom een motiveringsgebrek bevatte. Desondanks waren drie van de vijf functies die het UWV gebruikte voor de berekening van de arbeidsongeschiktheid wel passend, zodat de rechtsgevolgen van het besluit in stand konden blijven.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak werd gedaan door rechter L.P. Hertsig op 7 juli 2025.