De werknemer trad op 6 januari 2025 in dienst als elektromonteur bij de werkgever. Op 10 januari 2025 werd hij op staande voet ontslagen wegens onwettige afwezigheid, voortijdig stoppen met werk zonder overleg, ongeoorloofde pauzes thuis en onjuiste urenregistratie. De werknemer betwistte de rechtsgeldigheid van het ontslag en verzocht om een billijke vergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag rechtsgeldig was omdat er sprake was van een dringende reden. De werknemer was meerdere keren niet op tijd op het werk verschenen, had zonder overleg het werk voortijdig verlaten en had afspraken over pauzes overtreden. Hoewel niet alle feiten volledig konden worden vastgesteld, waren de geconstateerde tekortkomingen voldoende om het ontslag te rechtvaardigen.
Daarnaast was het ontslag onverwijld gegeven; de werknemer werd tijdens een gesprek op 10 januari 2025 direct geïnformeerd over het ontslag en de redenen daarvoor. Hoor en wederhoor was toegepast, maar de werknemer maakte geen gebruik van de gelegenheid om te reageren. De verzoeken van de werknemer tot toekenning van een billijke vergoeding en schadevergoeding werden daarom afgewezen. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.