De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van vier minderjarigen wegens ernstige bedreiging van hun cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling. De ouders zijn gescheiden en de minderjarigen wonen bij de vader, die kampt met gezondheidsproblemen en onvoldoende in staat is gezag uit te oefenen. De moeder woont op afstand en heeft weinig invloed op de opvoeding.
De minderjarigen vertonen diverse problematiek, zoals verzuim van school en werk, slechte hygiëne, hechtingsproblematiek, PTSS en depressieve gevoelens. De vrijwillige hulpverlening heeft onvoldoende verbetering gebracht. De kinderrechter oordeelt dat de ouders niet in staat zijn de bedreiging weg te nemen en dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is.
De kinderrechter stelt drie minderjarigen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht van de gecertificeerde instelling en één minderjarige tot zijn meerderjarigheid. De GI krijgt de regie over de hulpverlening en wordt verzocht voortvarend te handelen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten.