ECLI:NL:RBZWB:2025:4355
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2022
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2022, waarbij de inspecteur een bedrag aan in 2019 ingehouden loonheffing niet als verrekenbare voorheffing heeft meegenomen.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende in 2022 een bedrag van € 4.286 aan onterecht verkregen uitkeringen uit 2019 aan het UWV heeft terugbetaald. Het UWV heeft dit als negatief loon gerapporteerd aan de Belastingdienst, zonder ingehouden loonheffing. Belanghebbende kon niet aannemelijk maken dat er in 2022 loonheffing van € 1.925 was ingehouden.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht is uitgegaan van de door het UWV gerapporteerde gegevens en dat de aanslag IB/PVV 2022 in stand blijft. De terugbetaling van de uitkering leidt tot een verlaging van het belastbaar inkomen over 2022, waardoor de stelling van belanghebbende dat hij over 2019 een netto uitkering ontving en in 2022 een bruto uitkering terugbetaalde, faalt.
Omdat het beroep ongegrond is verklaard, wordt het griffierecht niet teruggegeven. De uitspraak is op 2 juli 2025 mondeling gedaan door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2022 wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.