ECLI:NL:RBZWB:2025:4356

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 juli 2025
Publicatiedatum
9 juli 2025
Zaaknummer
24/5658
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 belastingverdrag Nederland-ZwitserlandWet op de inkomstenbelasting 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aanslag inkomstenbelasting en belastingrente bij toepassing belastingverdrag Nederland-Zwitserland

Belanghebbende, woonachtig in Zwitserland, kreeg voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd over een totaal belastbaar inkomen van € 58.292, bestaande uit een AOW-uitkering en pensioenuitkeringen uit Nederland. De inspecteur paste een verlaagd tarief van 15% toe, resulterend in een belastingbedrag van € 8.744, inclusief een belastingrentebeschikking van € 273.

Belanghebbende betwistte de aanslag en stelde dat op grond van artikel 18, eerste lid, van het belastingverdrag Nederland-Zwitserland de belasting maximaal 15% mag bedragen, maar dat het tarief in de eerste schijf lager moet zijn dan 15%. Hij voerde aan dat het toepassen van 15% in de eerste tariefschijf discriminerend zou zijn ten opzichte van inwoners van Nederland.

De inspecteur verdedigde de aanslag door te stellen dat de bepaling een maximumbelasting van 15% over het gehele brutobedrag voorschrijft, en dat de aanslag correct is vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat Nederland bevoegd is belasting te heffen over de pensioen- en AOW-uitkeringen en dat de aanslag niet hoger is dan 15% van het brutobedrag. De rechtbank verwierp het discriminatieverweer omdat het tabeltarief in de eerste schijf niet werd verhoogd en belanghebbende niet ongunstiger werd behandeld dan een Nederlandse inwoner.

Ook het beroep tegen de belastingrentebeschikking werd ongegrond verklaard omdat geen zelfstandige gronden waren aangevoerd. De rechtbank bevestigde daarmee de aanslag en belastingrente en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2022 en belastingrente wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5658

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (Zwitserland), belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 juni 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag in de inkomstenbelasting (IB) opgelegd. Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag IB 2022 is een beschikking belastingrente vastgesteld van € 273 (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] deelgenomen. Belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB 2022 niet te hoog is vastgesteld en of de belastingrente naar een juist bedrag is berekend. Zij doet de beoordeling aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank oordeelt dat de aanslag IB 2022 niet te hoog is vastgesteld en de belastingrente naar een juist bedrag is berekend
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende woonde het gehele jaar 2022 in Zwitserland en ontving voor een bedrag van € 58.292 belastbare inkomsten uit werk en woning in Nederland:
  • een AOW-uitkering van € 16.763 van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de AOW-uitkering);
  • een pensioenuitkering van € 8.543 van de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek en een pensioenuitkering van € 32.986 van Nationale Nederlanden (hierna: de pensioenuitkeringen).
4.1.
Met dagtekening 20 juni 2023 heeft belanghebbende aangifte IB 2022 gedaan als buitenlands belastingplichtige. In de aangifte werden de AOW-uitkering en pensioenuitkeringen vermeld. Belanghebbende heeft in de aangifte aangegeven dat op deze inkomsten een verlaagd tarief van 15% van toepassing is en er werd door belanghebbende voor het gehele Nederlandse inkomen een voorkoming van dubbele belasting gevraagd.
4.2.
Met dagtekening 15 maart 2024 heeft de inspecteur de aanslag IB 2022 vastgesteld. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is, conform de ingediende aangifte IB 2022, op € 58.292 vastgesteld. Op dit bedrag is een verlaagd tarief van 15% toegepast, de verschuldigde IB is daarom berekend op een bedrag van € 8.744. Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag IB 2022 is een beschikking belastingrente vastgesteld van € 273.

Motivering

Heeft de inspecteur de aanslag IB 2022 te hoog vastgesteld?
5. Het geschil spitst zich toe op de vraag wat de juiste toepassing is van artikel 18, eerste lid, van het belastingverdrag Nederland-Zwitserland [1] is en of de toepassing hiervan voor belanghebbende discriminerend is.
5.1.
Artikel 18, eerste lid, van het belastingverdrag Nederland-Zwitserland luidt als volgt:
“Pensioenen en andere soortgelijke beloningen, alsmede lijfrenten, waaronder afkoopsommen betaald in plaats van een pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente, afkomstig uit een Verdragsluitende Staat en betaald aan een inwoner van de andere Verdragsluitende Staat en betalingen krachtens de bepalingen van de socialezekerheidswetgeving van de eerstgenoemde Verdragsluitende Staat en betaald aan een inwoner van de andere Verdragsluitende Staat mogen in de eerstgenoemde Verdragsluitende Staat worden belast. Indien echter dergelijke betalingen een periodiek karakter dragen (met uitzondering van afkoopsommen betaald in plaats van een pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente) mag de aldus geheven belasting niet meer bedragen dan 15 percent van het brutobedrag van de betaling.”
5.2.
Volgens belanghebbende bedraagt op basis van artikel 18 eerste Pro lid, van het belastingverdrag Nederland-Zwitserland, de totaal verschuldigde inkomstenbelasting in 2022 € 6.713. Belanghebbende voert daartoe aan dat Nederland maximaal vijftien percent belasting mag heffen over de AOW-uitkering en de pensioenuitkeringen die afkomstig zijn uit Nederland. Belanghebbende heeft in het jaar 2022 een verzamelinkomen van € 58.292. Hij stelt zich op het standpunt dat zijn inkomen tot een bedrag van € 36.409 (de eerste tariefschijf) tegen een tarief van 9,42% belast dient te worden (zijnde een bedrag van
€ 3.430) en het meerdere tegen een tarief van 15% (zijnde een bedrag van € 3.283), waardoor de totaal verschuldigde IB € 6.713 bedraagt Volgens belanghebbende is het berekenen van een tarief van 15% in de eerste tariefschijf in strijd met het discriminatieverbod omdat een inwoner van Zwitserland daardoor zwaarder zou worden belast dan een inwoner van Nederland.
5.3.
De inspecteur voert hiertegen aan dat de bepaling van artikel 18, eerste lid, van het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland de 'aldus geheven' belasting maximeert. Dit vereist, volgens de inspecteur, een vergelijking met de voor verdragstoepassing verschuldigde IB. De inkomstenbelastingheffing dient te worden gemaximeerd op 15% van € 58.292 = € 8.744. Dat is het bedrag dat op de aanslag is berekend en daarom correct is. De benadering van belanghebbende, waarin de verdragsbepaling rechtstreeks op het tarief zou ingrijpen en meer in het bijzonder slechts op het tarief in de tweede en verdere tariefschijven, volgt echter geenszins uit deze verdragsbepaling en acht de inspecteur onjuist.
5.4.
De rechtbank oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat Nederland bevoegd is om belasting te heffen over de AOW-uitkering en de pensioenuitkeringen. Voor de toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 worden deze inkomsten naar het progressieve tabeltarief belast. Artikel 18, eerste lid, van het belastingverdrag Nederland – Zwitserland maximeert de inkomstenbelastingheffing op 15% van het brutobedrag, zijnde een bedrag van € 8.744 [2] . Anders dan belanghebbende stelt, zijn de AOW-uitkering en de pensioenuitkeringen niet zwaarder belast dan 15% van het brutobedrag hiervan. De rechtbank is van oordeel dat het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland aan de berekeningswijze van de verschuldigde IB van de inspecteur niet in de weg staat. Het gelijk is daarom aan de inspecteur.
5.5.
Belanghebbendes stelling dat door de berekeningswijze van de inspecteur het tabeltarief in de eerste tariefschijf voor een inwoner van Zwitserland wordt verhoogd tot 15% en dit discriminatoir is, volgt de rechtbank niet. Zowel een inwoner van Nederland als een inwoner van Zwitserland zijn in de eerste tariefschijf het tabeltarief van 9,42% verschuldigd. Belanghebbendes belastbaar inkomen wordt deels belast tegen het tabeltarief in de tweede tariefschijf van 37,07%. Omdat de in totaal verschuldigde IB hierdoor zou uitkomen op een tarief van meer dan 15%, heeft de inspecteur op grond van artikel 18, eerste lid, van het belastingverdrag Nederland – Zwitserland de verschuldigde IB gemaximeerd op 15% van het verzamelinkomen. Uit de berekeningswijze van de inspecteur volgt dat het tabeltarief in de eerste tariefschijf niet is verhoogd. Daarom is belanghebbende niet ongunstiger behandeld dan een inwoner van Nederland en faalt zijn beroep op het discriminatieverbod.
Is de beschikking belastingrente niet te hoog vastgesteld?
5.6.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrentebeschikking. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB 2022 in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
mr.S. Panah, griffier op 9 juli 2025. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondstaat tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting, gesloten op 26 februari 2010 te Den Haag. Dit verdrag is gewijzigd met ingang van 1 januari 2021 op grond van het Protocol tot wijziging van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondstaat tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, tot stand gekomen op 12 juni 2019 te Den Haag.
2.Het verzamelinkomen bestaande uit de AOW-uitkering en de pensioenuitkeringen bedraagt