ECLI:NL:RBZWB:2025:4404

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2025
Publicatiedatum
10 juli 2025
Zaaknummer
11318759 CV EXPL 24-3230 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Kool
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 lid 1 sub a Verordening (EU) nr. 1215/2012Art. 8 lid 1 jo. Art. 3 Verordening (EU) nr. 593/2008Art. 7.5 cao horecaArt. 3.12 cao horeca
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg cao-bepaling over loonbetaling bij ziekte en vakantiegeld in arbeidsovereenkomst

De zaak betreft een werknemer die zich ziek meldde en meent dat zijn werkgever niet correct heeft betaald volgens de cao. De werknemer vordert achterstallig loon, vakantiegeld en feestdagentoeslag. De werkgever erkent het niet betalen van vakantiegeld over vakantie-uren en betwist de loonvordering.

De kantonrechter beoordeelt de rechtsmacht en toepasselijk recht, bevestigt dat Nederlands recht van toepassing is en dat de Nederlandse rechter bevoegd is. De werkgever erkent het niet betalen van vakantiegeld over vakantie-uren, wat wordt toegewezen. Ook de feestdagentoeslag wordt toegekend omdat compensatie in tijd niet mogelijk was.

De kern van het geschil betreft de uitleg van artikel 7.5 cao over loonbetaling bij ziekte. De kantonrechter volgt de uitleg van de werkgever dat de periode van 13 weken voorafgaand aan de ziekmelding geen juiste maatstaf is vanwege het hoogseizoen, waardoor de werknemer geen financieel voordeel mag krijgen. De vordering tot achterstallig loon wordt daarom afgewezen.

De wettelijke verhoging, incassokosten en wettelijke rente worden toegekend over de toegewezen bedragen. Proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de werkgever wordt veroordeeld tot betaling van vakantiegeld, feestdagentoeslag en incassokosten met rente, en tot het verstrekken van een specificatie.

Uitkomst: Vordering achterstallig loon afgewezen; vakantiegeld en feestdagentoeslag met rente en incassokosten toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11318759 CV EXPL 24-3230
Vonnis van 18 juni 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] (België),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.D. Ramnath,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A.J. Nieuwenhuijse.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 november 2024 en alle daarin genoemde stukken;
- de aanvullende productie 2 van [gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling van 17 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is op 1 januari 2022 in dienst getreden van [gedaagde] op grond van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar. De overeengekomen arbeidsduur was gemiddeld 38 uur per week tegen een loon van € 2.900,- per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. Op deze arbeidsovereenkomst is de Collectieve
arbeidsovereenkomst voor het horeca- en aanverwante bedrijf (hierna te noemen: cao) van toepassing.
2.2.
Op 16 augustus 2022 heeft [eiser] zich ziek gemeld. Tot het einde van zijn arbeidsovereenkomst per 31 december 2022 heeft [eiser] niet meer gewerkt.
2.3.
Per brief van 8 mei 2023 heeft [eiser] aan [gedaagde] meegedeeld dat de eindafrekening die is opgemaakt en uitbetaald niet klopt.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - om [gedaagde] te veroordelen tot het betalen van achterstallig loon (inclusief vakantiegeld) van € 1.975,17 bruto, het resterende vakantiegeld van € 162,62 bruto en een feestdagentoeslag van € 185,71 bruto. [eiser] wil binnen één week na de vonnisdatum een bruto/netto specificatie van deze betalingen ontvangen op straffe van een dwangsom. Verder vordert [eiser] een wettelijke verhoging van 50% over de gevorderde bedragen, buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente over alle bedragen vanaf 1 januari 2023, en proceskosten. Tot slot wil [eiser] de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad).
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] artikel 7.5 van de cao
niet juist heeft toegepast waardoor hij tijdens zijn ziekte te weinig loon heeft ontvangen. Verder heeft [gedaagde] verzuimd 8% vakantiegeld over de uitbetaalde vakantie-uren uit te keren. Tot slot heeft [gedaagde] in strijd met artikel 3.12 cao geen feestdagentoeslag aan [eiser] uitbetaald.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Omdat [eiser] in België woont, draagt deze zaak een internationaal karakter. Allereerst dient de kantonrechter ambtshalve te beoordelen of hij rechtsmacht heeft. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord op grond van artikel 21 lid 1 sub a van Pro de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012, Brussel I bis. De Nederlandse kantonrechter is bevoegd, aangezien [gedaagde] is gevestigd in Nederland.
4.2.
Vervolgens dient de kantonrechter te beoordelen welk recht van toepassing is.
Nederland en België zijn beide gebonden aan de Verordening (EU) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Verordening Rome I). Ingevolge artikel 8 lid 1 jo Pro. artikel 3 van Pro de Verordening Rome I wordt een individuele arbeidsovereenkomst beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. In dit geval zijn partijen Nederlands recht overeengekomen, zodat dit recht van toepassing is.
4.3.
Ter zitting heeft [gedaagde] erkend dat zij heeft verzuimd vakantiegeld te betalen over het uitgekeerde bedrag aan vakantie-uren van € 2.007,69. Het gevorderde bedrag aan vakantiegeld van € 160,62 bruto is toewijsbaar.
4.4.
Het gevorderde bedrag aan feestdagentoeslag van € 185,71 bruto wordt ook toegewezen. Artikel 3.12 cao voorziet in een compensatie in tijd voor tijd voor werken op een feestdag. Als tijd voor tijd niet mogelijk is binnen drie maanden na de feestdag, bestaat in plaats daarvan de compensatie uit een toeslag op het uurloon. [eiser] heeft gesteld verlofdagen te hebben aangevraagd in de periode van mei 2022 tot en met september 2022. Geen van deze aanvragen is gehonoreerd door [gedaagde] . [gedaagde] heeft ter zitting weliswaar aangevoerd dat het opnemen van vrije uren wel mogelijk was in deze periode maar heeft dit standpunt onvoldoende onderbouwd. Daarom wordt aangenomen dat de compensatie tijd voor tijd niet mogelijk was en dat een aanspraak is ontstaan op de gevorderde vergoeding.
4.5.
Tussen partijen is in geschil over welk maandloon 95% had moeten worden doorbetaald. Partijen geven een verschillende uitleg aan artikel 7.5 van de cao. In lid 1 van dit artikel staat dat als sprake is van een wisselend aantal arbeidsuren, de hoogte van het loon wordt gerelateerd aan het gemiddelde aantal gewerkte arbeidsuren over een periode van 13 weken voorafgaand aan de eerste ziektedag. Vervolgens staat in lid 2 dat als de periode van 13 weken geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het loon bij ziekte blijkt te zijn, dan wordt uitgegaan van een periode van 13 vierweekse of 12 maandtijdvakken.
[eiser] doet een beroep op artikel 7.5 lid 1 terwijl [gedaagde] aanvoert dat de periode van 13 weken voorafgaand aan de eerste ziektedag in dit geval een onjuiste maatstaf oplevert omdat deze periode geheel valt in het hoogseizoen van het strandpaviljoen. [gedaagde] is dan ook overgegaan tot het uitbetalen van 95% over € 2.900,-.
4.6.
De uitleg van de bepalingen in de cao's moet naar objectieve maatstaven geschieden. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao en de eventuele toelichting zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.
4.7.
Het standpunt van [gedaagde] dat artikel 7.5 lid 1 cao buiten toepassing moet worden gelaten omdat dit een onjuiste maatstaf oplevert voor de vaststelling van het door te betalen loon bij ziekte, wordt gevolgd. Weliswaar werkt [eiser] feitelijk een wisselend aantal arbeidsuren maar tussen partijen is niet in geschil dat ze een vast gemiddeld aantal uren per week zijn overeengekomen. Daarnaast ontvangt [eiser] maandelijks een vast loon van
€ 2.900,-. Toepassing van de maatstaf in artikel 7.5 lid 1 zou er in dit geval toe leiden dat [eiser] , omdat hij ziek is geworden tegen het einde van het hoogseizoen, over een hoog loon 95% doorbetaald zou krijgen en dus meer loon zou ontvangen dan het loon dat hem zou zijn uitbetaald als hij had gewerkt. De omstandigheid dat [eiser] bij de doorbetaling van zijn loon bij ziekte een dergelijk voordeel heeft vanwege de datum van zijn ziekmelding, is geen aannemelijk rechtsgevolg. Daarbij komt dat artikel 7.5 lid 2 cao rekening houdt het de mogelijkheid dat de periode van 13 weken voorafgaand aan de eerste ziektedag geen juiste maatstaf blijkt te zijn voor de vaststelling van het loon tijdens ziekte. De vordering wegens achterstallig loon en het vakantiegeld hierover wordt dan ook afgewezen.
4.8.
[gedaagde] wordt veroordeeld tot afgifte van een bruto/netto specificatie van de bedragen die zij nog moet betalen aan [eiser] binnen één week na betekening van het vonnis. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd, zoals hierna onder de beslissing wordt vermeld.
4.9.
De gevorderde wettelijke verhoging van 50% is toewijsbaar. Vast staat dat [gedaagde] de bedragen aan vakantiegeld en feestdagentoeslag aan [eiser] is verschuldigd en zij deze bedragen niet heeft uitbetaald. De kantonrechter ziet in de omstandigheden geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen.
4.10.
[eiser] maakt aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft meer dan één vordering op [gedaagde] . Voor die vorderingen had aanmaning kunnen plaatsvinden in één aanmaning. De toewijsbare bedragen van € 160,62 en € 185,71 worden voor de vaststelling van de hoogte van het tarief bij elkaar opgeteld. Dit betekent dat een bedrag zal worden toegewezen van € 51,95.
4.11.
De wettelijke rente over het vakantiegeld en de feestdagentoeslag is toewijsbaar vanaf 1 januari 2023, omdat [gedaagde] op die datum in verzuim is geraakt met de betaling van deze bedragen. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging en de buitengerechtelijke incassokosten is toewijsbaar vanaf 5 september 2024 (de datum van de dagvaarding). Deze bedragen waren nog niet verschuldigd op 1 januari 2023.
4.12.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
- een bedrag van € 160,62 bruto aan resterend vakantiegeld, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50%, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente, over het bedrag van € 160,62 bruto vanaf 1 januari 2023 en over de wettelijke verhoging van 50% vanaf 5 september 2024, tot aan de dag der algehele voldoening;
- een bedrag van € 185,71 bruto aan feestdagentoeslag, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50%, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente, over het bedrag van € 185,71 bruto vanaf 1 januari 2023 en over de wettelijke verhoging van 50% vanaf 5 september 2024, tot aan de dag der algehele voldoening;
- een bedrag van € 51,95 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot afgifte van een bruto/netto specificatie over de te betalen bedragen binnen één week na betekening van het vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- ineens en van € 100,- per dag vanaf de eerste dag volgend op deze week, tot een maximum van € 10.000,-;
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1. en 5.2. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Kool en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025.