ECLI:NL:RBZWB:2025:442
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Heffingsbevoegdheid Nederland over WAZ-uitkering van belanghebbende woonachtig in Portugal
Belanghebbende, woonachtig in Portugal, ontving in 2019 een arbeidsongeschiktheidsverzekering-uitkering (AOV) van Movir en een WAZ-uitkering. De inspecteur had de AOV-uitkering ten onrechte in de Nederlandse heffing betrokken, wat onbetwist bleef. De kern van het geschil betrof de heffingsbevoegdheid over de WAZ-uitkering.
De rechtbank beoordeelde de toepasselijkheid van artikel 18 van Pro het belastingverdrag tussen Nederland en Portugal. Op grond van de cumulatieve voorwaarden in het tweede lid van dit artikel is Nederland heffingsbevoegd over de WAZ-uitkering, omdat de uitkering hoger is dan €10.000, de premies fiscaal zijn gefaciliteerd in Nederland en de uitkering in Portugal niet tegen het normale tarief wordt belast. De rechtbank verwierp het beroep van belanghebbende dat de WAZ-uitkering gelijkgesteld moet worden aan een AOW-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering en stelde het belastbaar inkomen uit werk en woning vast op €15.783. Tevens veroordeelde zij de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat Nederland heffingsbevoegd is over de WAZ-uitkering en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van €15.783.