Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het veroorzaken van onnodig geluid met een motorvoertuig op 3 september 2022. Betrokkene stelde dat de gedraging niet had plaatsgevonden en dat de hoorplicht was geschonden. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststaat op basis van de verklaring van de verbalisant en dat de boete terecht is opgelegd. De hoorplicht was echter geschonden doordat betrokkene en zijn gemachtigde niet zijn gehoord, wat volgens vaste rechtspraak leidt tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie. Dit werd gecompenseerd door een extra schriftelijke ronde, maar dat maakt de schending niet ongedaan.
Verder was de redelijke termijn van behandeling overschreden met ruim acht maanden, waardoor de boete met 25% werd gematigd. De kantonrechter wijzigde de beslissing van de officier van justitie dienovereenkomstig, beval terugbetaling van het te veel betaalde bedrag en veroordeelde de officier van justitie tot vergoeding van proceskosten van €226,75.