Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2025 in de zaak tussen
,in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[belanghebbende] ,eiseres,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De heer belanghebbende verblijft op grond van een Wlz-indicatie in een zorginstelling en staat onder bewind. Het CAK heeft op basis van het inkomen in het peiljaar 2021 de hoge eigen bijdrage voor 2023 vastgesteld en een verzoek tot aanpassing op basis van het inkomen van 2023 afgewezen. Eiseres, bewindvoerder, stelde dat de hoge eigen bijdrage onevenredig zwaar was vanwege de financiële situatie van belanghebbende, waaronder een nabetaling Wajong en kosten van een gendertransitie.
De rechtbank overwoog dat het CAK de eigen bijdrage heeft berekend volgens het Besluit langdurige zorg en de Regeling langdurige zorg, waarbij het peiljaar uitgangspunt is en alleen kan worden afgeweken als de betrokkene minder overhoudt dan de zak- en kleedgeldgrens. Dit was niet het geval. De rechtbank vond dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een afwijking rechtvaardigen, mede omdat de kosten niet cijfermatig waren onderbouwd en er vermogen aanwezig is.
De rechtbank concludeerde dat het CAK de eigen bijdrage correct heeft vastgesteld en het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.H. van der Linden op 9 juli 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot vaststelling van de hoge eigen bijdrage voor 2023 is ongegrond verklaard.