ECLI:NL:RBZWB:2025:4511
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening WIA-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoeker heeft een WIA-uitkering aangevraagd, die door het UWV is afgewezen. Na bezwaar en beroep tegen deze afwijzing heeft verzoeker tevens een voorlopige voorziening gevraagd om de uitkering tijdelijk toe te kennen.
De voorzieningenrechter beoordeelt dat bij financiële geschillen niet snel sprake is van onverwijlde spoed, omdat het geschilbedrag na afloop van de beroepsprocedure alsnog betaald kan worden, inclusief wettelijke rente. Verzoeker werd verzocht zijn financiële situatie te onderbouwen met bewijsstukken.
Hoewel verzoeker stelde sinds januari 2024 in ernstige financiële nood te verkeren, bleek uit de overgelegde bankafschriften dat hij op het moment van het verzoek nog over aanzienlijke middelen beschikte. Daarnaast ontbraken bewijsstukken van enkele vaste lasten. De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kan wachten op de uitkomst van de beroepsprocedure.
Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond en is het afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.