AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Rechtbank wijst beroep toe wegens niet tijdig beslissen op bezwaar UWV
Kolibrie Payrolling B.V. heeft beroep ingesteld tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omdat het UWV niet tijdig heeft beslist op een bezwaar dat was ingediend tegen een besluit van 11 december 2023. Het bezwaar betrof de wijziging van een loongerelateerde uitkering in een loonaanvullingsuitkering per 7 februari 2024.
De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en erkent dit ook in het verweerschrift. Eiseres had het UWV op 5 augustus 2024 in gebreke gesteld en sindsdien waren twee weken verstreken zonder besluit. Het UWV gaf als reden voor de vertraging een tekort aan verzekeringsartsen en de noodzaak tot aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek.
De rechtbank oordeelt dat het belang van zorgvuldige besluitvorming en het belang van een tijdige beslissing in dit geval een langere termijn dan twee weken rechtvaardigt. Daarom legt de rechtbank een termijn van vier maanden op waarbinnen het UWV alsnog moet beslissen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor verdere overschrijding. Daarnaast moet het UWV het griffierecht en proceskosten aan eiseres vergoeden.
De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 AwbPro en is openbaar gemaakt op 15 juli 2025.
Uitkomst: Het UWV moet binnen vier maanden alsnog beslissen op het bezwaar en een dwangsom betalen bij overschrijding.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2182
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2025 in de zaak tussen
Kolibrie Payrolling B.V., uit Tilburg, eiseres,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV), verweerder.
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 10 januari 2024. Dit bezwaar is gericht tegen het besluit van 11 december 2023, waarbij de loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van werkneemster van eiseres, [werkneemster] , met ingang van 7 februari 2024 is gewijzigd in een loonaanvullingsuitkering.
1.2.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op
12 januari 2024. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Het UWV heeft dat in het verweerschrift van 2 juni 2025 erkend. In verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaar heeft het UWV aan eiseres met het besluit van
4 oktober 2024 ook de maximale dwangsom van € 1.442,- toegekend. Eiseres heeft het UWV op 5 augustus 2024 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?
4. Omdat het UWV nog geen besluit op het bezwaar heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Het UWV heeft in het verweerschrift erkend dat de beslistermijn is overschreden en geeft daarvoor als reden een tekort aan verzekeringsartsen. Aan het besluit van
11 december 2023 liggen geen actuele medische en arbeidskundige onderzoeken ten grondslag. Het UWV wil die onderzoeken alsnog verrichten. Door het tekort aan verzekeringsartsen bestaan er echter zeer lange wachttijden voor de medische beoordeling. Het UWV kan daarom niet aangeven wanneer een besluit op bezwaar genomen kan worden.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt om alsnog te beslissen op het bezwaar.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit op bezwaar te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
veroordeelt het UWV tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 15 juli 2025 en openbaar gemaakt dor middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Voetnoten
1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 vanPro de Awb.