Eiser diende op 19 november 2024 een aanvraag in op grond van de Wet open overheid (Woo). De minister moest binnen vier weken beslissen, maar verlengde deze termijn met twee weken tot uiterlijk 31 december 2024. Eiser stelde de minister op 31 december 2024 in gebreke, waarna twee weken verstreken zonder besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat de minister alsnog binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen. De minister had verzocht om een langere termijn vanwege de omvang van het verzoek (128 documenten, 690 pagina’s), personele problemen en de afhandeling van zienswijzen door derde-belanghebbenden.
De rechtbank acht een langere termijn dan twee weken echter niet passend, gezien de reeds verstreken tijd en het belang van een spoedige beslissing. Tevens legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op bij overschrijding van de termijn, met een maximum van €15.000. De minister moet ook het griffierecht van €194 aan eiser vergoeden.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar gepubliceerd. Partijen kunnen binnen zes weken verzetschrift indienen als zij het niet eens zijn met de uitspraak.