ECLI:NL:RBZWB:2025:4608
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Beslissing RC
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechter-commissaris tot bevel plaatsing ter observatie na open verwijzing zittingsrechter
In deze strafzaak heeft de rechter-commissaris op 2 juli 2025 ambtshalve bevolen dat verdachte ter observatie wordt overgebracht naar het Pieter Baan Centrum (PBC). Verdachte, vertegenwoordigd door raadsvrouw mr. S. van Minderhout, stelde in hoger beroep dat de rechter-commissaris niet bevoegd was omdat de zaak al door de zittingsrechter was open verwezen. Volgens de verdediging had de zittingsrechter deze beslissing moeten nemen.
De rechtbank heeft het hoger beroep op 15 juli 2025 behandeld in besloten raadkamer, waarbij de officier van justitie en de raadsvrouw zijn gehoord. Verdachte was niet aanwezig en deed schriftelijk afstand van het recht te worden gehoord. De officier van justitie voerde aan dat de open verwijzing door de zittingsrechter op 12 mei 2025 de bevoegdheid aan de rechter-commissaris overdroeg om te beslissen over de observatieplaatsing.
De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 316 Sv Pro in combinatie met artikel 196 Sv Pro de rechter-commissaris bevoegd is om ambtshalve een observatie te bevelen nadat de zaak open is verwezen. Artikel 196 Sv Pro regelt expliciet de mogelijkheid tot observatieplaatsing door de rechter-commissaris en is van overeenkomstige toepassing verklaard. De rechtbank verklaart het hoger beroep ongegrond en bekrachtigt de beslissing van 2 juli 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris tot plaatsing van verdachte ter observatie is ongegrond verklaard.