Partijen sloten een huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte bestemd voor een sportschool met een initiële duur van vijf jaar, ingaande 1 juni 2023. De huurovereenkomst werd voortijdig beëindigd, waarbij huurder opzeggingsdatum 1 februari 2024 stelde en verhuurder stelde dat de overeenkomst met wederzijds goedvinden was geëindigd.
De kantonrechter oordeelde dat de huurovereenkomst per 1 februari 2024 is geëindigd, omdat verhuurder met die datum een nieuwe huurovereenkomst sloot met een derde. Verhuurder vorderde betaling van huurachterstand, contractuele rente, boete wegens onderverhuur, ontruimingskosten, bemiddelingskosten en kosten voor vervanging van de verwarmingsinstallatie.
De kantonrechter wees de boete wegens onderverhuur af omdat er een afspraak bestond over het gebruik van een zaal door een derde tegen betaling. De ontruimingskosten werden afgewezen wegens het ontbreken van een rechtsgrond. De bemiddelingskosten werden toegewezen omdat huurder toerekenbaar tekort was geschoten door voortijdige opzegging. De kosten voor vervanging van de verwarmingsinstallatie werden afgewezen omdat verhuurder onvoldoende aannemelijk maakte dat hij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt of gaat maken.
Huurder vorderde onder meer een verklaring voor recht over de waarde van de bedrijfsvoering en onrechtmatig handelen van verhuurder. Deze vorderingen werden afgewezen. Ook de vordering tot opheffing van conservatoire beslagen werd afgewezen. Huurder werd veroordeeld tot betaling van huurachterstand van € 25.750,-, bemiddelingskosten van € 22.717,75, beslagkosten en proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.