ECLI:NL:RBZWB:2025:4702

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2025
Publicatiedatum
18 juli 2025
Zaaknummer
C/02/426423 / HA ZA 24-506 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Noort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:89 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering onvoldoende onderbouwd: betaling van €199,20 toegewezen, rest afgewezen

In deze civiele bodemzaak vordert eiser betaling van €33.071,41 van S-Cars wegens openstaande facturen voor geleverde automaterialen. S-Cars betwist de levering en de juistheid van de facturen, wijst op mogelijke fraude en erkent slechts een bedrag van €199,20 verschuldigd te zijn.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat S-Cars de materialen daadwerkelijk heeft besteld en ontvangen. Facturen alleen bieden geen sluitend bewijs. Eiser heeft nagelaten pakbonnen of andere bewijsstukken tijdig en duidelijk aan te leveren. Ook het argument van een afgegeven SEPA-machtiging leidt niet tot een betalingsverplichting.

De rechtbank wijst de vordering grotendeels af en kent alleen het erkende bedrag van €199,20 toe. De gevorderde wettelijke rente en incassokosten worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van S-Cars.

Uitkomst: S-Cars wordt veroordeeld tot betaling van €199,20, de rest van de vordering wordt afgewezen en eiser draagt de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/426423 / HA ZA 24-506
Vonnis van 16 juli 2025
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. C. Pannekoek,
tegen
S-CARS B.V.,
te Bergen op Zoom,
gedaagde partij,
hierna te noemen: S-Cars,
advocaat: mr. E.P.E. Fluit.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 december 2024 en de daarin genoemde stukken;
- de e-mail van mr. Hooymayers van 22 mei 2025 met producties 4 en 5 van [eiser] ;
- de brief van mr. Fluit van 23 mei 2025 met productie 4 van S-Cars;
- de e-mail van mr. Pannekoek van 3 juni 2025 met de vervangende productie 5 en producties 6 en 7 van [eiser] ;
- de mondelinge behandeling van 4 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ter zitting is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, S-Cars zal veroordelen om € 33.071,41 aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente althans de wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
2.2.
Aan haar vorderingen legt [eiser] (kort gezegd) ten grondslag dat S-Cars bij haar (auto)materialen heeft besteld. Op 22 juni 2023 heeft S-Cars een doorlopende SEPA-machtiging afgegeven, zodat de betaling van de facturen in verband met deze bestellingen automatisch konden worden geïncasseerd. Een deel van de betalingen zijn echter gestorneerd of anderszins niet door S-Cars voldaan. In totaal is sprake van een bedrag van € 33.017,41 aan openstaande facturen, welke door S-Cars (ondanks aanmaning) tot op heden onbetaald zijn gebleven.
2.3.
S-Cars voert verweer. S-Cars concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
2.4.
S-Cars voert aan dat de vordering van [eiser] onduidelijk en niet te controleren is. S-Cars betwist dat de gefactureerde (auto)materialen door haar zijn besteld en aan haar zijn geleverd. Volgens S-Cars heeft zij de betalingen gestorneerd nadat bij haar argwaan is ontstaan over de juistheid van de facturen van [eiser] . Met name de (verzamel)factuur van 26 juni 2023 met [factuurnummer] roept vraagtekens op. Daarop staan een grote hoeveelheid materialen, allen met pakbondatum 22 juni 2023.
S-Cars betwist dat zij op deze datum een zodanig grote bestelling heeft geplaatst en voor zover deze factuur ziet op eerdere bestellingen, voert S-Cars aan dat niet te achterhalen is dat zij die materialen daadwerkelijk heeft besteld, wanneer zij dat heeft gedaan en dat deze aan haar zijn geleverd of door haar zijn opgehaald. Volgens S-Cars zijn eerder bestelde materialen door [eiser] op verkeerde (bedrijfs)namen gezet en worden materialen zonder enige controle meegegeven bij ophalen. Ook is een personeelslid van [eiser] ontslagen vanwege diefstal. Niet valt uit te sluiten dat deze persoon heeft gefraudeerd door artikelen op naam van S-Cars te zetten en te verduisteren. S-Cars stelt zich dan ook op het standpunt dat de juistheid van de facturen twijfelachtig is.
Aan de hand van de orderhistorie op het account van S-Cars op de website van [eiser] , erkent S-Cars wel dat zij nog een bedrag van € 199,20 aan [eiser] verschuldigd is voor bestelde en geleverde materialen.
2.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] haar stelling dat S-Cars een bedrag van € 33.071,41 aan haar verschuldigd is, onvoldoende heeft onderbouwd. [eiser] heeft ter onderbouwing van haar vordering de facturen die volgens haar niet zijn betaald in het geding gebracht. Een factuur op zichzelf schept geen betalingsverplichting. S-Cars heeft, na het maken van eigen overzichten en berekeningen, erkend dat zij kennelijk voor € 199,20 aan materialen bij [eiser] heeft besteld en nog niet heeft betaald. Voor het overige heeft zij betwist dat zij de materialen heeft besteld en dat deze aan haar zijn geleverd. Gelet daarop had het op de weg van [eiser] gelegen om duidelijk te maken wanneer en op welke wijze de materialen door S-Cars zijn besteld en wanneer zij die materialen aan S-Cars heeft geleverd. Dat heeft [eiser] niet gedaan en kan ook niet uit de facturen worden opgemaakt. Daarop is alleen te zien welke materialen in rekening zijn gebracht, maar niet dat S-Cars deze daadwerkelijk heeft besteld en ook niet dat deze aan haar zijn geleverd of door haar zijn afgehaald. Ter zitting is hierover ook geen duidelijkheid verschaft. Wel is namens [eiser] aangevoerd dat de data waarop de bestellingen zijn gedaan mogelijk zijn te achterhalen door middel van de pakbonnen, maar dat is erg algemeen en te laat. Bovendien is door [eiser] bevestigd dat de pakbonnen niet door S-Cars zijn ondertekend of dat zij daarop anderszins akkoord heeft gegeven. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om [eiser] alsnog in de gelegenheid te stellen de pakbonnen in het geding te brengen.
3.2.
Dat [eiser] stelt dat S-Cars op 22 juni 2023 een SEPA-machtiging heeft afgegeven en vervolgens de (meeste) incasso’s heeft gestorneerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het afgeven van een machtiging biedt op zichzelf immers geen grondslag voor betaling. In het verlengde daarvan stelt [eiser] dat S-Cars niet bij de financiële administratie heeft geklaagd over de (vermeende) onjuistheid van de facturen. Voor zover zij daarmee beoogt een beroep te doen op de klachtplicht als bedoeld in artikel 6:89 BW Pro geldt dat S-Cars ter zitting heeft aangevoerd dat zij wel degelijk over de facturen heeft geklaagd. Dit heeft zij gedaan bij de vertegenwoordiger(s) van de locatie [plaats] , waarmee zij altijd contact had. S-Cars is een onderneming met 1 á 2 personen die er werken. S-Cars is gelegen naast het filiaal van [eiser] waar de bestellingen werden gedaan en opgehaald. Dit filiaal van [eiser] heeft ook maar 2 á 3 mensen op deze locatie werken. Het ligt aldus voor de hand om in direct contact met deze medewerkers bezwaren aan te kaarten. Niet valt in te zien waarom S-Cars dan ook nog de financiële administratie had moeten contacteren. Daarbij heeft S-Cars ook nog aangegeven dat geprobeerd is contact met [naam] (de eigenaar van [eiser] ) te krijgen over de facturen, maar dat hij niet heeft teruggebeld. De mededeling van de gemachtigde van [eiser] op zitting dat zij hier niet van weet omdat zij zich alleen met de boekhouding bezighoudt, is in dat licht bezien een onvoldoende weerspreking.
3.3.
De conclusie van het voorgaande is dat niet kan worden vastgesteld dat S-Cars een betalingsachterstand van € 33.017,41 heeft. Omdat S-Cars heeft erkend dat zij wel € 199,20 aan [eiser] verschuldigd is, zal de vordering tot dat bedrag wel worden toegewezen. Het meerdere wordt afgewezen.
3.4.
[eiser] vordert daarnaast wettelijke handelsrente over de hoofdsom en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. In dat verband overweegt de rechtbank dat S-Cars zich terecht op het standpunt stelt dat [eiser] in deze procedure en (ook) in het minnelijke traject heeft nagelaten voldoende inzichtelijk te maken waarop haar vordering berust. Het is juist S-Cars geweest die heeft uitgezocht en inzichtelijk heeft gemaakt dat S-Cars nog een bedrag van € 199,20 aan [eiser] verschuldigd is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [eiser] – in het licht van dit verweer van S-Cars – onvoldoende heeft onderbouwd dat de vertraging in de betaling van dat bedrag aan S-Cars kan worden toegerekend. Ook de stelling van [eiser] dat zodanige buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht dat zij een vergoeding rechtvaardigen, is onvoldoende onderbouwd. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
3.5.
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van S-Cars worden begroot op:
- griffierecht
2.889,00
- salaris advocaat
1.572,00
(2 punten × € 786,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.639,00

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
veroordeelt S-Cars om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 199,20,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van S-Cars ad. € 4.639,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr Van Noort en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2025.