Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 28 juli 2025 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om hem een WIA-uitkering toe te kennen met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 78,83% per 20 februari 2023. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid juist is.
De medische beoordeling door het UWV, gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep, concludeert dat eiser beperkte mogelijkheden heeft, vooral op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren, maar niet volledig arbeidsongeschikt is. Eiser stelde dat zijn beperkingen niet volledig zijn meegenomen, onder meer vanwege een ADHD-diagnose en klachten zoals tinnitus. De rechtbank oordeelt echter dat deze klachten en beperkingen voldoende zijn meegewogen en dat de vastgestelde beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst adequaat zijn gemotiveerd.
Daarnaast heeft een arbeidsdeskundige van het UWV passende functies geselecteerd die rekening houden met de beperkingen van eiser. Eiser betwistte de geschiktheid van deze functies, maar de rechtbank volgt het UWV hierin, mede vanwege de onderbouwing dat de functies in rustige omgevingen kunnen worden uitgevoerd.
De rechtbank concludeert dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op 78,83% en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van 78,83% arbeidsongeschiktheid en toekenning van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.