De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant om de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen voor de duur van een jaar. De minderjarige woont bij de moeder en heeft nog geen contact gehad met de vader sinds de ondertoezichtstelling begon in juni 2024. De vader heeft de minderjarige erkend en is betrokken bij hulpverlening om tot een veilige contactregeling te komen.
Tijdens de zitting, waarbij de vader niet aanwezig was, heeft de kinderrechter de standpunten van de gecertificeerde instelling, de moeder en de vader (via advocaat) gehoord. De gecertificeerde instelling benadrukt de noodzaak van verlenging om de doelen van de ondertoezichtstelling te behalen, waaronder het ontwikkelen van een vaderbeeld voor het kind en het creëren van een veilige opvoedingsomgeving.
De moeder ervaart de ondertoezichtstelling als belastend en pleit voor afwijzing of verkorting van de verlenging, terwijl de vader instemt met verlenging en benadrukt dat contact met beide ouders belangrijk is voor de identiteitsontwikkeling van het kind. De kinderrechter concludeert dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd door het uitblijven van contact met de vader en de moeizame verstandhouding tussen ouders.
Vrijwillige hulpverlening heeft onvoldoende resultaat opgeleverd, waardoor verlenging noodzakelijk is. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling tot 14 juni 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, met het oog op het belang van het kind en het streven naar onbegeleid contact tussen vader en zoon.